Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV0346
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/365 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is S.A.E. Vancraeynest, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, op bij beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 15 december 2003 tussen partijen gegeven uitspraak, nummer AWB 03/414 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 23 maart 2004 en op 7 juni 2005 heeft Vancraeynest nadere stukken ingezonden waaronder twee medische verklaringen van C. Jansen, neuroloog, van 8 juni 2003 en 4 mei 2005.

Bij schrijven van 28 oktober 2005, met als bijlagen een commentaar van 25 oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick en een rapport van 27 oktober 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot, heeft gedaagde een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door Vancraeynest en appellantes dochter [naam dochter], en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was werkzaam als inpakster in een koekfabriek toen zij op 12 augustus 1996 uitviel met depressieve klachten in verband met spanningen in haar privésituatie.
In aansluiting op de daarvoor geldende wachttijd heeft de rechtsvoorgangster van gedaagde appellante met ingang van 11 augustus 1997 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellante tot voortzetting van haar WAO-uitkering heeft de verzekeringsarts E.M.E. van der Werf-Huysmans blijkens haar rapport van 13 juni 2002 vastgesteld dat er thans geen sprake meer is van privé-problematiek en dat appellante psychisch nog beperkt belastbaar is door kalmerende en antidepressieve medicijnen. Ten aanzien van de psychische status stelde Van der Werf-Huysmans vast dat appellante geen angstklachten heeft en dat er geen tekenen van een depressie zijn. Appellante werd door Van der Werf-Huysmans in staat geacht lichte werkzaamheden te verrichten onder niet-stresserende omstandigheden waarbij rekening wordt gehouden met geen hoge werkdruk, geen conflichthantering, geen complexe taken en geen grote eindverantwoordelijkheid. Van der Werf-Huysmans heeft de voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML). Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige A.J. Maaswinkel functies geselecteerd. In het door Maaswinkel op 11 november 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 28% moet worden gesteld. Bij besluit van 19 november 2002 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat haar WAO-uitkering per 19 januari 2003 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick op 22 januari 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat door de primaire verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen van appellante voldoende zijn aangegeven respectievelijk onderbouwd. Volgens Van Gulick is appellante in staat passende arbeid te verrichten.
Bij besluit van 4 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

In eerste aanleg heeft appellante een rapportage van 7 januari 2003 van psychiater C. Kok overgelegd en een rapportage van 6 mei 2003 van psychiater B.M.J. Hogenboom.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat tijdens het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen in voldoende mate is rekening gehouden met de klachten van appellante. De rechtbank is van oordeel dat de geduide functies zijn aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de vastgestelde beperkingen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellante met het vervullen van die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat appellante voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellante wederom naar voren gebracht dat gedaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellante. Tevens bestrijdt appellante dat de in eerste aanleg ingebrachte rapportages van de psychiaters Kok en Hogenboom juist zijn beoordeeld. Vervolgens heeft appellante nog twee medische verklaringen van de neuroloog C. Jansen van 8 juni 2003 en 4 mei 2005 ingediend.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick in zijn rapport van 22 januari 2003 geaccordeerde FML van appellante, zoals in de primaire fase van de in geding zijnde besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Van der Werf-Huysmans, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat Van Gulick blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de rapportage die psychiater G.J. Brouwer op 13 juni 1997 heeft uitgebracht en van de rapportage die de psychiater Kok op 7 januari 2003 heeft uitgebracht. Van Gulick heeft ook uitvoerig gemotiveerd waarom hij de rapportage van Kok niet onderschrijft.

De namens appellante in hoger beroep overgelegde medische verklaringen van de neuroloog Jansen hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door gedaagde aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Hierbij overweegt de Raad dat hij het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig acht en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom geen verdergaande beperkingen ten aanzien van het psychisch en sociaal functioneren van appellante zijn aangenomen.

De aan de schatting ten grondslag gelegde functies kunnen naar het oordeel van de Raad als passend worden aangemerkt. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Raad heeft hierbij in het bijzonder gelet op de nadere motivering die bij het in rubriek I vermelde arbeidskundig rapport van 27 oktober 2005 vanwege gedaagde is verstrekt, in reactie op het verzoek van de Raad aan gedaagde om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4716) met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen.

Nu evenwel eerst bij die nadere motivering een adequate en inzichtelijke onderbouwing is gegeven waarom de geduide functies passend zijn te achten - de Raad wijst erop dat de primaire arbeidsdeskundige in diens rapport van 11 november 2002 heeft volstaan met de enkele opmerking dat hij op arbeidskundige gronden van mening is dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt - ziet de Raad onder verwijzing naar zijn hiervoor vermelde uitspraken van 9 november 2004 aanleiding om het bestreden besluit, zij het met instandlating van de rechtsgevolgen daarvan, te vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x