Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV0738
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de WAO-uitkering terecht geweigerd op de grond dat bij betrokkene op de in geding zijnde datum geen ziekte of gebrek in de zin van de WAO bestond?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1033 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij S.R.K. rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 13 januari 2004 onder kenmerk 03/976 WAO door de rechtbank Breda gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 oktober 2005 heeft appellant een aanvulling op het hoger beroepschrift gegeven en stukken toegezonden.

Bij brief van 3 november 2005 heeft gedaagde een nader rapport ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 26 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een eerder besluit van 22 augustus 2002, waarbij gedaagde het verzoek van appellant om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft afgewezen. Naar de mening van gedaagde bestond bij appellant op de in geding zijnde datum 18 september 2002 geen ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit oordeel van gedaagde juist geacht en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Appellant stelt zich op het standpunt dat hij op 18 september 2002 niet in staat was te werken in verband met een depressie. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft hij zowel in beroep als in hoger beroep verwezen naar brieven van zijn huisarts en van de bedrijfsarts. In hoger beroep heeft appellant nog een rapport van 20 december 2004 van M. Kazemier, psychiater te Rotterdam, overgelegd. Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat hij een aantal maanden na zijn hersteldverklaring per 14 oktober 2002 bij een andere werkgever heeft hervat, maar op 8 september 2003 opnieuw is uitgevallen met dezelfde klachten, waarna gedaagde hem per 6 september 2004 wel een volledige WAO-uitkering heeft toegekend.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en heeft geen aanleiding gevonden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd acht de Raad voldoende overtuigend weersproken door de reactie van 26 oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsarts T.J.A. Boel.

Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

Het moge zo zijn dat appellant rond 18 september 2002 spanningen ondervond als gevolg van problemen in de privé- en werksfeer, blijkens de rapportages van de verzekeringsarts Van Delden, die appellant ruim een maand voor de in geding zijnde datum heeft onderzocht en van de bezwaarverzekeringsarts Karis, die de medische gegevens uit het dossier nogmaals heeft bestudeerd, bestond er bij appellant geen verminderd arbeidsvermogen als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte. Ook naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek vanwege gedaagde zorgvuldig geweest.

De namens appellant overgelegde rapportage van psychiater M. Kazemier geeft de Raad onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de zijde van gedaagde. De Raad heeft daarbij in het bijzonder laten wegen dat Kazemier zijn beoordeling vrijwel uitsluitend heeft gebaseerd op de anamnese en deze niet heeft getoetst aan de beschikbare medisch relevante feiten en omstandigheden, zodat een objectivering niet heeft plaats gevonden. Dit klemt temeer nu het onderzoek van Kazemier meer dan twee jaar na de in geding zijnde datum heeft plaats gevonden.

Ten slotte wijzigt de omstandigheid dat appellant op 8 september 2003 na hervatting bij een andere werkgever opnieuw met psychische klachten is uitgevallen het oordeel van de Raad niet. Het gaat hier blijkens de door appellant overgelegde stukken om uitval in een andere functie, namelijk die van administratief medewerker bij een woningbouwcorporatie, waarin eisen worden gesteld aan het uitvoeren van meerdere deeltaken, concentratievermogen, conflicthantering en het werken onder een hoge tijdsdruk.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x