Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV1168
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Belastbaarheid. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3967 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft C.G. Steijvers, wonende te Oude Pekela, op bij beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 26 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 02/455 WAO STRA.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, en heeft nadien nog een reactie van zijn bezwaarverzekeringsarts ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde C.G. Steijvers, en waar namens gedaagde met voorafgaand bericht niemand is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 20 september 2005, voorzien van bijlagen, heeft gedaagde vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2005. Appellant is daar wederom in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde Steijvers verschenen, terwijl gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Aan de orde is de vraag of het besluit van gedaagde van 16 april 2002, hierna: het bestreden besluit, in rechte stand kan houden. Bij dat besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2001, waarbij gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 september 2001 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat, naar desgevraagd ter zitting van de zijde van appellant is verklaard, de grieven van appellant zich in het bijzonder nog richten op de medische grondslag van het bestreden besluit. Gelijk in beroep, doet appellant ook in hoger beroep erop wijzen dat zijn medische situatie de laatste jaren niet is verbeterd, eerder verslechterd. Hij handhaaft zijn opvatting dat zijn gezondheidssituatie - daarbij gaat het met name om rugklachten en in mindere mate ook om hartritmestoornissen - niet toelaat dat hij met de vereiste regelmaat en duurzaamheid loonvormende arbeid verricht. Hij voorziet vooral problemen in het in zulke arbeid steeds voorkomende aspect tijdsdruk.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank niet slagen. Op grond van de omtrent appellant beschikbare medische informatie kan niet worden geoordeeld dat zijn beperkingen door gedaagde niet juist zouden zijn gewaardeerd. Uit de aan de bestreden besluitvorming ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige gegevens komt naar voren dat de verzekeringsarts van gedaagde bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon rekening heeft gehouden met forse beperkingen bij appellant als gevolg van de bij hem vastgestelde rugafwijking (scoliose), in die zin dat appellant aangewezen is geacht op licht, rugsparend werk. Voorts dient dat werk, in verband met de hartritmestoornis van appellant, niet stresserend te zijn. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die steun zouden kunnen verlenen aan zijn eigen opvatting dat voor hem meer of zwaardere beperkingen zouden dienen te gelden.

De Raad is voorts van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige van gedaagde geselecteerde functies aan de hiervoor gestelde beperkingen voldoen. Op de verwoordingen functiebelasting van de bij de schatting in aanmerking genomen functie komen geen markeringen voor ten teken van mogelijke overschrijdingen van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.

Nu de Raad ook voor het overige, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen aanleiding heeft om het bestreden besluit niet voor juist te houden, volgt uit het bovenstaande dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x