Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV1288
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Belastbaarheid. Geschiktheid voor de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6243 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 11 december 2003 onder kenmerk AWB 03/539 WAO, door de rechtbank te Arnhem gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 12 oktober 2005 heeft mr. Bemelmans een nader stuk ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 1 november 2005, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. S. Croes, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant ontving vanaf 10 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 24 mei 2002 heeft gedaagde de uitkering met ingang van 23 juli 2002 ingetrokken, onder de overweging dat appellant op en na die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 25 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 24 mei 2002 gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen bij appellant is uitgegaan en zij heeft geen aanleiding gezien tot het benoemen van een medisch deskundige, zoals door appellant is verzocht. Zij heeft voorts vastgesteld dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. Ten aanzien van de functie van samensteller (fb-code 8463) heeft zij overwogen dat deze buiten beschouwing moet blijven omdat niet voldoende is komen vast te staan dat appellant voldoet aan de ervaringseisen voor deze functie. Echter dit wijzigt de uitkomst van de schatting niet, nu in de plaats daarvan 2 andere geschikte functies kunnen worden geduid. Appellant was dan ook naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 23 juli 2002 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.

In hoger beroep is namens appellant - onder verwijzing naar de rapportages van de behandelend psychiater J.W. van Eijk - aangevoerd dat als gevolg van de posttraumatische stressstoornis sprake is van psychosociale en omgevingsproblemen van zeer ernstige aard en dat gedaagde de psychische beperkingen van appellant onjuist heeft beoordeeld.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten in zijn rapport van 25 oktober 2002, nader aangevuld op 20 december 2002, geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de primaire fase van de in geding zijnde besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts drs. H.M.C. Wijers, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat Joosten kennis had van de brief van 30 september 2002 van de behandelend psychiater en dat hij voorafgaand aan zijn rapportage nog aanvullend medisch onderzoek heeft ingesteld in de vorm van overleg met de behandelend huisarts en psychiater. Volgens het in het rapport van Joosten opgenomen verslag van - telefonisch - overleg op 29 november 2002 was appellant toen duidelijk beter dan het jaar daarvoor. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding een medisch deskundige te benoemen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door gedaagde aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen in de functies relevante markeringen voor bij enkele onderdelen, maar Wijers en Joosten hebben in hun rapportages van 11 augustus 2002, respectievelijk 19 februari 2003 uitvoerig gemotiveerd waarom er op die onderdelen geen sprake is van overschrijdingen van appellants belastbaarheid.

De uiteindelijk aan appellant voorgehouden functies kunnen naar het oordeel van de Raad als passend worden aangemerkt, zij het dat van de onder Fb-code 8463 opgenomen functies slechts die van monteuse loopwerken met 9 arbeidsplaatsen resteert, omdat appellant niet aan de ervaringseisen van de eveneens tot die fb-code behorende functie samensteller metaalproducten voldoet. Zoals de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft opgemerkt vervalt een aantal van de geduide functies omdat deze niet voldoen aan de actualiteitseis. Er blijven echter voldoende functies over, die een voldoende aantal arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende overgebleven functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Gedaagde heeft derhalve terecht de WAO-uitkering beŽindigd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x