Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2034
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. CBBS. Nadere onderbouwing voor het standpunt dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1455 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, verbonden aan Rechtshulp Noord, Bureau Friesland te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 februari 2004, nummer 03/1135 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 januari 2006, waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster diepvries bij [naam bedrijf]. Zij is op 11 maart 2002 uitgevallen met (toegenomen) malaise en vermoeidheidsklachten die zijn terug te voeren op in haar vroege jeugd ondergane chemokuren ter behandeling van leukemie.

Bij besluit van 7 februari 2003 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 10 maart 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Nadat mr. Achterveld, voornoemd, beroep had ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, heeft gedaagde bij besluit van 10 november 2003, hierna: het bestreden besluit, het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond werd verklaard, in rechte stand kan houden.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank overwogen:
“De rechtbank is op grond van de beschikbare medische gegevens van oordeel dat de belastbaarheid van eiseres per 9 maart 2003 in het door de verzekeringsarts J.M. Leeuwerik-Wortel opgestelde FML correct is weergegeven. De rechtbank heeft geen nieuwe aanwijzingen kunnen vinden om aan te nemen dat de belastbaarheid van eiseres door de verzekeringsarts is overschat. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft bij de beoordeling de door de huisarts en het AMC verstrekte informatie betrokken en bij het opstellen van de FML de vermoeidheidsklachten onderkend. Eiseres heeft haar stelling dat ten onrechte geen duurbeperking is vastgesteld niet met medische stukken onderbouwd. De rechtbank ziet voorts in het overlegde verslag van de bedrijfsarts van 31 oktober 2002 geen onderbouwing van het door eiseres gestelde, nu in dit verslag ten aanzien van prognose ten aanzien van gezondheid en werkhervatting wordt gesteld: “volgens mij huidig werk in minder uren of ander werk”.

Ten aanzien van de door de bezwaararbeidsdeskundige H. Sluiters aan eiseres geduide functies overweegt de rechtbank het volgende. Uit de gedetailleerde beschrijvingen van de in deze functies optredende belastingen blijkt dat deze belastingen de door de verzekeringsarts J.M. Leeuwerik-Wortel vastgestelde belastbaarheid van eiseres niet te boven gaan. De overige gegevens van arbeidskundige aard mede in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat eiseres, met haar krachten en bekwaamheden, op 9 maart 2003 in staat moet worden geacht deze algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.”

Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten, is overigens niet met medische stukken onderbouwd en heeft de Raad inhoudelijk dan ook niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Voor wat betreft de toepassing van de (gewijzigde) schattingsmethodiek, met behulp van het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS), verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de beroepsfase, met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot van 23 januari 2004, uiteindelijk de in voornoemde uitspraken gewenst geachte onderbouwing voor het standpunt dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft is gegeven. Gelet op ’s-Raads oordeel met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (2 procespunten) voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- (1 punt) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-. Nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak reeds een bedrag van € 80,50 (¼ punt) aan proceskosten heeft toegekend in verband met haar oordeel omtrent het - buiten de omvang van het thans aanhangige geding in hoger beroep vallende - beroep van appellante tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het door haar gemaakte bezwaar, komt thans nog een bedrag groot € 885,50 (2¾ punt) voor vergoeding in aanmerking.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 885,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor als voorzitter en mr. J. Brand en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x