Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2043
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schorsing WAO-uitkering. Reisvaardigheid. Verwijtbaarheid. Intrekking WAO-uitkering. Oproep voor een medisch onderzoek met dreiging van een sanctie; minimale eisen van duidelijkheid en concreetheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/3947 WAO en 05/3948 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (ItaliŽ), appellant,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Haarlem, van 25 mei 2005, nrs. 04/922 WAO en 04/2134 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

In een tweetal brieven van 28 juli 2005 en 2 augustus 2005 heeft appellant zijn standpunt nader uiteengezet.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 september 2005 heeft appellant een nader stuk in het geding gebracht, waarop door gedaagde bij schrijven van 3 oktober 2005 is gereageerd. Bij schrijven gedateerd 29 november 2005 heeft appellant een nader stuk ingezonden. Bij brief gedateerd 1 december 2005 heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, zich als gemachtigde van appellant gesteld. Daarbij zijn tevens een aantal nadere stukken overgelegd. Bij brief van 2 december 2005 heeft appellant zelf een nader stuk ingezonden. Bij brief gedateerd 20 december 2005 heeft de gemachtigde nogmaals een aantal stukken ingezonden. Hierop is namens gedaagde bij brief van 27 december 2005 gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. H. Bos, kantoorgenoot van mr. De Leest, en waar voor gedaagde is verschenen R. Zaagsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Aan appellant, die de Italiaanse nationaliteit heeft, is met ingang van 24 juli 1987- onder meer - een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. In september 1987 is aan appellant toestemming verleend om met behoud van uitkering naar ItaliŽ terug te keren. In 1998 heeft het Instituto Nazionale Della Previdenza Sociale (INPS) op verzoek van gedaagde appellant aan een medisch onderzoek onderworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten is de (algemeen) arts Devoto tot de conclusie gekomen dat appellant voor 35% arbeidsongeschikt wordt geacht voor het laatst verrichte werk, welk percentage ook geldt voor iedere andere arbeid. Tevens is door Devoto aangegeven dat appellant reisvaardig wordt geacht ůůk zonder begeleiding. Na ontvangst van de rapportage van de INPS op 14 mei 1998 heeft gedaagdes verzekeringsarts een nadere beoordeling verricht. Hij heeft geconcludeerd dat onduidelijk is waarop het percentage van 35 is gebaseerd, dat appellant reisvaardig is te achten en dat een nader onderzoek in Nederland noodzakelijk is.
Bij schrijven van 16 november 1998 is appellant opgeroepen om op 12 januari 1999 te Amsterdam bij de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk te verschijnen teneinde een medisch onderzoek te ondergaan. Bij brief van 15 december 1998 heeft appellant, onder verwijzing naar een tweetal bijgevoegde verklaringen de dato 4 december 1998 en 31 maart 1998 van zijn behandelend psychiater F. Toccafondi, aan gedaagde bericht niet tot reizen in staat te zijn. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 24 februari 1999 geweigerd om met ingang van 1 maart 1999 de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te betalen. Bij beslissing op bezwaar van 19 juli 1999 heeft gedaagde, onder meer, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 1999 ongegrond verklaard. Aan het schorsingsbesluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd artikel 50, derde lid, onder c, van de WAO, waarin is bepaald dat gedaagde de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering opschort of schorst indien deze op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend een verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WAO niet of niet behoorlijk is nagekomen. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 februari 2001 het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Bij uitspraak van 9 oktober 2002, gepubliceerd in RSV 2003, 3, heeft de Raad deze uitspraak in hoofdzaak bevestigd. Gedaagde is opgedragen, met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In deze uitspraak heeft de Raad - onder verwijzing naar het rapport van de behandelend psychiater Toccafondi van 31 maart 1998 - overwogen dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat appellant in januari 1999 de reis naar Nederland, zonder gevaar voor zijn gezondheid, zonder begeleiding had kunnen maken. De Raad concludeert dat het gedaagde niet te verwijten valt dat hij onder de gegeven omstandigheden geen gevolg heeft gegeven aan de oproep om voor een medisch onderzoek naar Nederland te komen. Dat betekent dat appellant ten onrechte op grond van artikel 50, derde lid, onder c, van de WAO, de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellant heeft geschorst. Ten overvloede heeft de Raad overwogen dat het gedaagde in beginsel vrijstaat - gelet op het rapport van het INPS - de schorsing van appellants WAO-uitkering nader te baseren op artikel 50, derde lid, onder a en/of b, van de WAO, nu uit die rapportage volgt dat appellant in staat is te achten een wezenlijk deel van zijn oude werk en ander werk te verrichten.

Bij besluit van 31 december 2002 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 1999 (wederom) ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2002 wordt de schorsing nu gebaseerd op artikel 50, derde lid, onder a en/of b van de WAO. Overwogen wordt dat - gezien de rapportage van het INPS - appellant in staat wordt geacht een wezenlijk deel van zijn oude werk als inpakker en ander werk te verrichten.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft gedaagde appellant verzocht - voor een medisch onderzoek in verband met zijn WAO-rechten - naar Nederland te komen. Opgemerkt wordt dat de kosten vergoed worden. Verzocht wordt verder de naam van de begeleider op te geven, dit in verband met de reservering van een vliegticket.
Bij brief gedateerd 13 mei 2003 heeft appellant hierop gereageerd. Aangegeven wordt dat appellant zich niet verplicht acht op het verzoek in te gaan, althans niet voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Daarna pas, in overleg met de behandelend specialist, en na een beetje tot rust gekomen te zijn, zal ik een antwoord overwegen op het verzoek, aldus appellant.

Bij besluit van 17 juli 2003 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 maart 1999 ingetrokken. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat hij - door appellants toedoen - niet heeft kunnen vaststellen of nog recht bestaat op de uitkering. Bij besluit van 24 november 2003 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juli 2003 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd artikel 36a van de WAO waarin - onder meer - is bepaald dat een uitkering wordt ingetrokken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 van de WAO, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. Ter motivering wordt gewezen op de schorsing van de uitkering, de brief van 6 mei 2003 en appellants reactie hierop.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft gedaagde - onder inroeping van een groot aantal bepalingen van internationaal recht - betoogd dat de bestreden besluiten - en de uitspraak dienaangaande van de rechtbank - rechtens geen stand kunnen houden. Ter zitting is namens appellant verklaard dat de grieven ontleend aan het internationale recht niet worden gehandhaafd met uitzondering van het beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad oordeelt als volgt.



Besluit 1

Gedaagde heeft de schorsing van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 maart 1999 gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de WAO, onder a en/of b. Blijkens deze bepaling schort gedaagde de betaling van de uitkering op of schorst hij de betaling indien hij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat; b. recht op een lagere uitkering bestaat. In zijn uitspraak van 9 oktober 2002 heeft de Raad reeds - ten overvloede - overwogen dat het gedaagde in beginsel vrijstaat - gelet op het rapport van het INPS - de schorsing van appellants WAO-uitkering nader te baseren op artikel 50, derde lid, onder a en/of b, van de WAO, nu uit die rapportage volgt dat appellant in staat is te achten een wezenlijk deel van zijn oude werk en ander werk te verrichten. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zijn eerdere oordeel in twijfel stellen. Besluit 1 kan dan ook naar het oordeel van de Raad niet als onjuist worden aangemerkt, zodat de rechtbank het beroep tegen dit besluit met recht ongegrond heeft verklaard.

Appellants grief dat ten aanzien van besluit 1 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden ziet, blijkens de toelichting ter zitting, zowel op de bestuurlijke fase van de besluitvorming als de rechterlijke beoordeling daarvan. Appellant heeft bij schrijven van 6 maart 1999, door gedaagde ontvangen op 15 maart 1999, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 februari 1999. Bij besluit van 19 juli 1999 heeft gedaagde op dit bezwaar beslist. Na de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2002 heeft gedaagde bij besluit van 31 december 2002 (wederom) op het bezwaar beslist. Op het moment dat de Raad uitspraak doet in deze zaak heeft de procedure in totaal ongeveer zes jaar geduurd.
De Raad is, gelet op de totale duur van het rechterlijk aandeel in deze procedure, ongeveer 5 1/2 jaar, en op de perioden waarin de behandeling van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep zonder duidelijke oorzaak heeft stilgelegen, mede gelet op de aard van de procedure en de proceshouding van appellant, van oordeel dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De Raad voegt hieraan toe dat appellant zich, voor de vaststelling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan de geconstateerde schending, tot de burgerlijke rechter dient te wenden.
De Raad constateert verder dat het aandeel van gedaagde in de totale duur van de procedure zich uitstrekt tot een periode van ongeveer een half jaar. In die periode heeft gedaagde twee bezwaarprocedures afgerond. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde appellant aldus, in strijd met artikel 6 van het EVRM, onnodig lang van de toegang tot de rechter heeft afgehouden. Appellants beroep op schending van de redelijke termijn komt dan ook in zoverre niet voor honorering in aanmerking.

Het hoger beroep terzake van besluit 1 wordt ongegrond verklaard.



Besluit 2

Bij besluit 2 heeft gedaagde, onder toepassing van artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO, de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 maart 1999 ingetrokken. Blijkens deze bepaling herziet gedaagde de toekenning van een WAO-uitkering of trekt hij die in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. In casu is volgens gedaagde artikel 25, eerste lid, aanhef, en onder b, van toepassing. Appellant heeft, na tijdig te zijn opgeroepen, geweigerd zich te laten onderzoeken door een door gedaagde daartoe aangewezen deskundige. Op die grondslag heeft gedaagde toepassing gegeven aan artikel 36a van de WAO.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen - de Raad verwijst naar zijn uitspraken van 11 mei 1989, gepubliceerd in RSV 1990/17, en 19 juli 2000, nrs. 97/11617 AAW/WAO en 00/1032 AAW/WAO - dient een oproeping voor medisch onderzoek met bedreiging van een sanctie als de onderhavige te voldoen aan minimale eisen van duidelijkheid en concreetheid. In gedaagdes brief van 6 mei 2003 is appellant niet gewezen op de mogelijke consequenties indien hij geen gevolg zou geven aan de oproeping voor medisch onderzoek in Nederland. De brief van 6 mei 2003 gaat niet verder dan het verzoek om voor medisch onderzoek - in verband met appellants WAO-rechten - naar Nederland te komen. Van een concrete oproeping met vermelding van plaats en tijd van het medisch onderzoek is de Raad met betrekking tot dit schrijven niet gebleken. De Raad moet ook te dien aanzien vaststellen dat niet kan worden gesproken van een toereikend duidelijke en concrete oproeping. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om toepassing te geven aan artikel 36a van de WAO. Besluit 2 en de aangevallen uitspraak komen voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, tevens het besluit van 17 juli 2003 te vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op Ä 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Van andere, voor vergoeding in aanmerking komende kosten, is niet gebleken.

Derhalve moet als volgt worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op besluit 2;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Vernietigt het besluit van 17 juli 2003;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van Ä 134,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) S. Sweep.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x