Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2161
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering omdat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Niet gebleken is dat de resterende functies niet voldoen aan het vereiste dat het gaat om eenvoudig psychisch niet-belastend werk.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6305 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 17 juli 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 september 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 19 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het door mr. M.H. Samama, advocaat te ´s-Gravenhage, namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 19 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 27 november 2003, reg.nr. AWB 03/1680 WAO, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend en heeft - desgevraagd - bij brief van 28 april 2005, met bijlagen, een nadere toelichting op het bestreden besluit verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W. de Rooij-Bal, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker tomatenteelt toen hij zich op 5 juni 2000 ziek meldde met psychische klachten. In aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan appellant op medische gronden een volledige WAO-uitkering toegekend. In het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is appellant op 23 april 2002 onderzocht door de verzekeringsarts W.S. Vrijlandt. In een aan zijn rapport van dezelfde datum toegevoegde aanvulling van 30 mei 2002 met het oog op de van de appellant behandelend psychiater ontvangen informatie van 16 mei 2002 geeft Vrijlandt als conclusie van deze psychiater aan dat het beeld van appellant deels als depressief deels als theatraal moet worden gezien. Volgens Vrijlandt moet appellant eenvoudig psychisch niet belastend werk kunnen verrichten en Vrijlandt acht geen verzekeringsgeneeskundige argumenten aanwezig voor een urenbeperking. Vrijlandt legde zijn bevindingen neer in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 juni 2002. Op basis hiervan werd bij het arbeidskundig onderzoek een aantal functies geselecteerd en, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 1,6%, waarna gedaagde het primaire besluit van 17 juli 2002 nam.

In de bezwaarprocedure heeft de gezondheidszorgpsycholoog J.W.G.M. van Soest op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma appellant op 12 december 2002 onderzocht en daarvan rapport uitgebracht op 16 januari 2003. Volgens Van Soest is bij appellant sprake van acculturalisatieproblematiek en een onverwerkt rouwproces in verband met het overlijden van de moeder van appellant. De snelle boosheid van appellant is, aldus Van Soest, geen reden om appellant arbeidsongeschikt te beschouwen. Ten slotte heeft Van Soest aangegeven dat in de FML in de rubrieken I (persoonlijk functioneren) en II (sociaal functioneren) een aantal items beperkt zijn. Jeensma heeft in zijn rapport van 24 oktober 2002/1 februari 2003 geoordeeld dat deze beperkingen, die onder andere betrekking hebben op zelfstandig handelen en samenwerken, voldoende onderbouwd zijn en heeft de FML blijkens de versie van november 2002 dienovereenkomstig aangepast. Naar aanleiding hiervan heeft de bezwaararbeidsdeskundige F.G.A. Oostrom in zijn rapport van 24 februari 2003 de functieduiding in de primaire fase van de besluitvorming tegen het licht gehouden en vastgesteld dat overeenkomstig de arbeidsmogelijkhedenlijst van dezelfde datum nog functies kunnen worden geduid, welke behoren tot de SBC-codes 272020 (wasserijmedewerker), 271070 (vleeswarenmaker, slachter met uitzondering van de oorspronkelijk uit deze SBC-code als enige functie geduide functie van haringinlegger vanwege het opleidingsvereiste) en 111340 (sorteerder, controleur). Oostrom berekende dat alsdan het verlies aan verdiencapaciteit uitkwam op 6,03%. Hierna handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit zijn primaire besluit.

Naar aanleiding van het beroep van appellant heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank mede gewezen op het verweerschrift van 2 september 2003. De rechtbank is onder andere ingegaan op hetgeen in beroep is opgemerkt ten aanzien van de onderscheiden vereisten inzake de beheersing van de Nederlandse taal in de functies uit de drie nog resterende SBC-codes met de vaststelling dat uit de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, alsmede uit het rapport van Van Soest niet is gebleken van een zo’n slechte beheersing van die taal door appellant dat deze functies niet aan hem kunnen worden opgedragen. Voorts is de rechtbank ingegaan op het persoonlijk risico in de functies confectiestrijker en productiemedewerker zalmrokerij en op de specifiek ten aanzien van appellant geformuleerde beperking inzake samenwerking in laatstgenoemde functie en de functie aardappelsorteerder. Ten slotte heeft de rechtbank aangegeven dat appellant in de FML niet beperkt is ten aanzien van het handelingstempo.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant met name ter zitting de arbeidskundige bezwaren tegen de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies toegelicht.

De Raad overweegt in de eerste plaats ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit, waaromtrent namens appellant in hoger beroep geen specifieke bezwaren meer zijn geformuleerd, tot geen ander oordeel te zijn gekomen dan de rechtbank heeft gegeven.
Wat betreft de arbeidskundige bezwaren overweegt de Raad, naast en in aanvulling op hetgeen de rechtbank dienaangaande reeds heeft geoordeeld, dat in de geduide functies, zoals namens gedaagde ter zitting is gesteld, alleen mondelinge instructies e.d. aan de orde zijn. Met gedaagde is de Raad voorts van oordeel dat niet valt in te zien dat appellant de functie productiemedewerker vers, behorend tot de SBC-code 271070, niet zou kunnen verrichten omdat deze functie vanwege het functieniveau 2 ten aanzien van de zelfstandigheid en het probleemoplossend vermogen iets hogere eisen stelt dan functies van functieniveau 1. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat ook deze functie goed gestructureerd is, ook al is sprake van samenwerking in een afwisselende deeltaak. Al met al is de Raad niet gebleken dat de resterende functies niet voldoen aan het door Vrijlandt geformuleerde vereiste dat het gaat om eenvoudig psychisch niet belastend werk.
Ten aanzien van de motivering van de arbeidskundige grondslag van het besteden besluit, welke met behulp van het zogenaamde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) tot stand is gekomen, overweegt de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722 - ten slotte als volgt.

In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als één van de onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen. Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan laat het zich door anderen dan functionarissen van het Uwv niet op relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft.

Punten in de FML waarvoor geen corresponderend belastingpunt aan de zijde van de functieanalyse bestaat, worden in het CBBS aangeduid als zogeheten niet-matchende beoordelingspunten. In een dergelijke situatie zal de arbeidsdeskundige steeds kenbaar, zo nodig in overleg met de verzekeringsarts, ‘handmatig’ dienen te beoordelen of zulks in de weg staat aan het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de geselecteerde functies.

Op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van de in meergenoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, is de Raad van oordeel dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de (hoger) beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven, te weten in het verweerschrift in eerste aanleg en in de in hoger beroep door gedaagde overgelegde rapporten. Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand kunnen worden gelaten. Wat de vernietiging betreft deelt de aangevallen uitspraak in het lot van het bestreden besluit.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,=.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen wat betreft de proceskosten in hoger beroep door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x