Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2185
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid; belastbaarheid; geduide functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/970 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 2 juni 2000 heeft gedaagde met ingang van 20 maart 2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 22 februari 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft het door mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 22 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 26 januari 2004, reg.nr. WAO 01/761-ZWI, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en heeft voorts op 11 maart 2004 twee stukken overgelegd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde - met kennisgeving - niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als sloper/saneerder gedurende 48,4 uur per week toen hij zich op 18 maart 1999 ziek meldde met rechter heupklachten op basis van een beginnende secundaire coxarthrose bij een aangeboren heupafwijking rechts. Blijkens het rapport van 14 februari 2000 van de verzekeringsarts A.J.J.J. Groen-Broere, die appellant op dezelfde dag onderzocht, was er volgens appellant soms sprake van duizeligheid zonder dat hij daarbij viel. Groen-Broere vermeldde in haar rapport dat appellant geringe heupklachten had doch stelde op basis van haar onderzoeksbevindingen vast dat appellant aangewezen is op rechter heup sparend werk. Voorts diende volgens Groen-Broere rekening gehouden te worden met een iets beperkt vooroverbuigen van de rug en zij legde haar bevindingen vast in een bij haar rapport gevoegd belastbaarheidsprofiel. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 9 mei 2000 selecteerde de arbeidsdeskundige L.F. Korporaal blijkens zijn rapport van 17 mei 2000 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van het uurloon van de middelste van de drie hoogst verlonende functies en een reductiefactor van 0,74 vanwege de omvang van de maatmanfunctie, het verlies aan verdiencapaciteit op 23,1%. Hierna nam gedaagde het primaire besluit van 2 juni 2000.

In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellant blijkens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg van 20 februari 2001 en het verslag van de hoorzitting op die datum ter hoorzitting naar voren gebracht dat van het belastbaarheidsprofiel met name de onderdelen 04 (traplopen), 05 (klimmen en klauteren), 13 (tillen) en 15 (dragen) niet zwaar genoeg beperkt zijn. Voorts kwam ter hoorzitting naar voren dat de drie geduide functies vanwege de belasting daarin ook bij verzwaring van de beperkingen op deze onderdelen niettemin passend zouden blijven. Verder verzocht de gemachtigde de in enkele functies vereiste bediening van een voetpedaal te bezien. Volgens Kokenberg, die ook de beschikking had over door de gemachtigde ingezonden informatie van de appellant behandelend orthopedisch chirurgen, kon het belastbaarheidsprofiel worden gehandhaafd en bestond er geen medische contra-indicatie tegen het bedienen van een voetpedaal aangezien dat nauwelijks heupbelastend is. Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit zijn primaire besluit.

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de rechtbank naar aanleiding van de heropening van het onderzoek na de zitting van 18 oktober 2001 gedaagde verzocht nader in te gaan op de door appellant aangegeven duizeligheidsklachten. Hierop heeft gedaagde op 15 november 2001 het rapport van Kokenberg van dezelfde datum ingezonden, waarin is aangegeven dat deze klachten kennelijk alleen bij lopen en niet bij zitten voorkomen, dat de klachten niet dusdanig ernstig zijn dat appellant hiervoor medische hulp nodig had, dat geen aanleiding bestond tot het voorschrijven van medicijnen daarvoor en dat geen neurologisch onderzoek ter zake heeft plaatsgehad. Gelet op een ander is met betrekking tot deze klachten geen beperking in het belastbaarheidsprofiel opgenomen, aldus Kokenberg, die daaraan toevoegde dat bij geen van de geduide, voornamelijk zittende, functies persoonlijk risico in de vorm van werken op hoogte, etc. voorkomt. Hierop heeft de door de gemachtigde van appellant ingeschakelde mevr. Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia, op 5 februari 2002 gereageerd met het leggen van een verband tussen de duizeligheidsklachten en de door haar beschreven blokkades, zulks met het oog op het kunnen verrichten van zittende functies.
De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien de orthopedisch chirurg W.H.J.C. van Heeswijk als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. In zijn rapport van 18 april 2002 heeft Van Heeswijk verslag gedaan van zijn onderzoek, waartoe onder andere een algemeen lichamelijk onderzoek en een functieonderzoek van de heupen behoorden, alsmede bestudering van het röntgendossier van appellant. Aanvullend liet Van Heeswijk nog röntgenfoto’s maken, waarop hij geen sclerosering van het heupgewricht en geen gewrichtsspleetversmalling van betekenis waarnam, en een botscintigrafisch onderzoek verrichten. Voorts won Van Heeswijk informatie in bij de behandelend orthopedisch chirurg, die aangaf dat op 5 januari 2000 na een valgiserende correctie osteotomie aan de rechter heup op 21 september 1999 sprake was van een zodanige consolidatie dat appellant de krukken mocht weglaten en de heup volledig normaal mocht belasten. Van Heeswijk kon zich, mede gelet op evengenoemde informatie, verenigen met het door Groen-Broere opgestelde belastbaarheidsprofiel en de door Korporaal geduide functies. Voorts hebben partijen over en weer hun standpunten ten aanzien van het rapport van Van Heeswijk bij de rechtbank ingediend. De deskundige Van Heeswijk is vervolgens bij nader rapport van 5 september 2003 ingegaan op de reacties van partijen, waaronder het door mevr. Verhage gelegde verband tussen een verhoogde doorbloeding van een linker zaadstreng en die van de rechter heupstreek, hetgeen volgens Van Heeswijk medisch gezien een onjuiste interpretatie is. Van de zijde van appellant is vervolgens ook op dit nader rapport gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapporten van Van Heeswijk.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant voornamelijk haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen standpunten in essentie herhaald.

De Raad heeft geen aanleiding gezien ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Wat betreft de door de gemachtigde van appellant ingebrachte rapporten van mevr. Verhage, voor zover deze berusten op de door haar gebezigde, maar in de reguliere geneeskunde niet gangbare onderzoeksmethode, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn inmiddels dienaangaande gevormde vaste jurisprudentie. Voor zover mevr. Verhage daarnaast en los van haar onderzoeksmethode argumenten heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt van appellant met betrekking tot de voor hem vastgestelde belastbaarheid, heeft de Raad daarin geen aanknopingspunten gezien om aan te nemen dat in afwijking van de bevindingen van de deskundige Van Heeswijk voor appellant meer dan wel zwaardere beperkingen zouden moeten gelden. Met betrekking tot het in eerste aanleg overgelegde, ongedateerde oordeel van de door de gemachtigde van appellant geraadpleegde orthopedisch chirurg O. Schreuder ten aanzien van de vraag of de onderdelen 1 t/m 15 van het door Groen-Broere vastgestelde belastbaarheidsprofiel van appellant, al dan niet mogelijk zijn, merkt de Raad op dat, nog daargelaten dat Schreuder appellant niet zelf heeft onderzocht, zijn oordeel nauwelijks onderbouwd is. Schreuder heeft overigens in een brief van 18 november 2003 nog aangegeven dat de foto’s van de ingreep in september 1999 laten zien dat deze goed is uitgevoerd, dat de foto van 5 januari 2000 laat zien dat het bot voor eenderde deel is doorgegroeid, waarmee de belasting van het eigen lichaamsgewicht mogelijk moet zijn, dat de foto van 22 mei 2003 een beginnende sclerosering en lichte gewrichtsspleetversmalling laat zien en dat appellant in aanmerking komt voor omscholing naar zittende arbeid. Met betrekking tot dit laatste wijst de Raad erop dat, zoals Kokenberg in zijn rapport van 15 november 2001 reeds aangaf, de geduide functies hoofdzakelijk zittende werkzaamheden betreffen. Voorts wijst de Raad, gezien de visie van Schreuder in zijn brief van 21 februari 2004 aan de gemachtigde van appellant ten aanzien van het progressieve karakter van de heupafwijking van appellant en in verband hiermede zijn opvatting dat de op 20 maart 2000 gegeven momentopname niet relevant is, erop dat, zoals ook gedaagde in het verweerschrift aangaf, wet en regelgeving gedaagde nopen tot beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op in dit het geval het moment van volmaken van de wachttijd ingevolge de WAO en dat bij een verslechterde situatie nadien de WAO de mogelijkheid biedt een gestelde toename van arbeidsongeschiktheid te laten beoordelen.

Ook overigens heeft de Raad, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, geen aanknopingspunten gezien het bestreden besluit rechtens voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x