Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2396
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De schatting berust op een juiste medische en arbeidskundige grondslag. CBBS: de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing is uiteindelijk in hoger beroep gegeven.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5475 WAO en 04/5870 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. S.J. Cats bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 25 september 2003, kenmerk 02/829 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak (hierna: uitspraak 1). Tevens heeft mr. Cats hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 21 september 2004, kenmerk 04/103 WAO, gegeven uitspraak (hierna: uitspraak 2). Deze beroepen zijn bij de Raad bekend onder de kenmerken respectievelijk 03/5475 WAO en 04/5870 WAO.

Namens gedaagde is in beide procedures een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft in de procedure 03/5475 WAO op 21 september 2004 nadere stukken ingezonden, alsmede een nader stuk bij brief van 6 december 2005.

Desgevraagd zijn namens gedaagde in deze procedure bij brief met bijlagen van 27 oktober 2005 vragen van de Raad beantwoord.

Desgevraagd zijn namens gedaagde in de procedure 04/5870 WAO bij brief van 14 februari 2005 vragen van de Raad beantwoord.

In deze procedures heeft appellant bij brief van 27 april 2005, met bijlagen, nadere stukken in geding gebracht.
De gedingen zijn - gevoegd - behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Cats, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is werkzaam geweest als consulent bij het, toenmalige, arbeidsbureau te Groningen. Op 4 maart 1992 is hij voor dit werk uitgevallen. Per 1 januari 1993 is eiser, met recht op wachtgeld, ontslagen. De uitbetaling van het wachtgeld werd in verband met uitbetaling van ziekengeld opgeschort tot 2 juni 1995, toen hij weer arbeidsgeschikt werd verklaard. Tot 2 december 1997 heeft appellant daarna wachtgeld ontvangen. Hij heeft op 10 november 1998 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend.

Bij besluit van 18 juni 1999 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen, welk besluit in de beslissing op bezwaar van 16 maart 2000 gehandhaafd is. De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 2 oktober 2001 het beroep tegen het besluit van 16 maart 2000 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank kende hierbij doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige D.W. Oppedijk, psychiater.

Gedaagde heeft in deze uitspraak berust en het besluit van 18 juni 1999 heroverwogen. Gedaagde is tot de conclusie gekomen dat appellant ongeschikt is voor zijn eigen werk, maar wel in staat een aantal functies te vervullen. Vergelijking van het mediane loon met het maatmanloon laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 50,65%. Dit betekent dat appellant bij het einde van de wachttijd, door gedaagde vastgesteld op 1 januari 1997, ingedeeld diende te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Bij besluit van 22 augustus 2002 - hierna: bestreden besluit 1 - heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 1999 gegrond verklaard en appellant met ingang van 1 januari 1997 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De uitkering is, gelet op de datum van aanvraag, betaalbaar gesteld vanaf 11 november 1997.

Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak 1 ongegrond verklaard. In deze procedure heeft de rechtbank wederom psychiater Oppedijk om advies gevraagd. Deze heeft aangegeven de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen bij benadering juist te achten. Hierop heeft de rechtbank mede haar oordeel gebaseerd dat de belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld. De rechtbank is de deskundige niet gevolgd in diens stelling dat een fulltime aanstelling te fors voor appellant zou zijn. In de verschillende zich in het dossier bevindende rapporten wordt een dagverhaal geschetst dat naar het oordeel van de rechtbank niet is te verenigen met het aannemen van een dergelijke beperking. Ook oordeelt de rechtbank dat de door appellant gemelde rugklachten pas na 1 januari 1997 zijn opgekomen en derhalve in dit geding geen rol kunnen spelen.

De door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies schadebeoordelaar (Fb-code 3931), medewerker champignonkwekerij (Fb-code 6227) en helpende thuiszorg (Fb-code 5426) acht de rechtbank in overeenstemming met de vastgestelde belastbaarheid.

In het hoger beroep tegen uitspraak 1 stelt appellant zich op het standpunt dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Met name beroept hij zich op de stelling van Oppedijk dat een fulltime aanstelling te fors is voor hem en weerspreekt hij het oordeel van de rechtbank dat zijn rugklachten na 1 januari 1997 zijn opgekomen. Appellant stelt reeds vanaf 1992 rugklachten te hebben.

In het kader van de vijfdejaars herbeoordeling is appellant onderzocht door verzekeringsarts M. Niemeijer. Deze is tot het oordeel gekomen dat de belastbaarheid van appellant niet was gewijzigd. Niemeijer heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld per 10 december 2002 en daarin beperkingen opgenomen op het gebied van persoonlijk functioneren en sociaal functioneren.

De arbeidsdeskundige C. Bulder heeft een zestal functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen kan vervullen. Vergelijking van het maatmaanloon met het mediane loon levert een verlies aan verdiencapaciteit op van ruim 41%. Bij besluit van 13 maart 2003 is appellant medegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 14 mei 2003 wordt vastgesteld op 35 tot 45%. In het besluit op bezwaar van 23 december 2003 - hierna: bestreden besluit 2 - is dit besluit gehandhaafd.

In beroep heeft appellant opnieuw gewezen op de rapporten van Oppedijk en diens mening dat appellant niet fulltime belast kan worden, alsmede op zijn rugklachten. Hieruit moet, naar de mening van appellant, volgen dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hij acht het tevens onbegrijpelijk dat, hoewel de verzekeringsarts spreekt van dezelfde medische toestand, de arbeidsongeschiktheidsklasse toch verlaagd is.

De rechtbank heeft, wat betreft de aangenomen psychische beperkingen, in uitspraak 2 aansluiting gezocht bij haar oordeel hieromtrent in uitspraak 1. De rugklachten zijn, naar het oordeel van de rechtbank, niet medisch onderbouwd, zodat de verzekeringsarts terecht geen lichamelijke beperkingen heeft aangenomen. De geduide functies overschrijden de aangenomen psychische beperkingen niet, derhalve kan het besluit stand houden.
In hoger beroep voert appellant in essentie dezelfde gronden aan als in beroep.

De Raad oordeelt als volgt.



In de zaak 03/5475 WAO

De Raad verenigt zich in grote lijnen met het oordeel van de rechtbank in uitspraak 1 en maakt dit tot het zijne. Ook de Raad is uit de in geding gebrachte stukken niet gebleken dat de psychische beperkingen van appellant door gedaagde zijn onderschat. De Raad is van oordeel dat de door gedaagde aangenomen beperkingen voldoende recht doen aan het gestelde omtrent de psychische toestand van appellant in de rapporten van de deskundige Oppedijk. Evenmin is de Raad gebleken dat op de datum hier in geding, te weten 1 januari 1997, bij appellant reeds sprake was van rugklachten. Uit de stukken blijkt voldoende duidelijk dat appellant hier eerst in latere jaren melding van heeft gemaakt.

Ook met betrekking tot de door appellant, refererend aan de rapporten van Oppedijk, geclaimde urenbeperking dan wel algemene duurbeperking volgt de Raad het oordeel van de rechtbank. Uit de in geding gebrachte stukken heeft de Raad niet de overtuiging kunnen krijgen dat appellant niet in staat zou zijn, ondanks zijn beperkingen, fulltime werkzaam te zijn.

De aan de schatting ten grondslag gelegde functies blijven wat belasting betreft, naar het oordeel van de Raad, binnen de voor appellant aangenomen beperkingen en leiden, bij vergelijking van het maatmanloon met het mediane loon, tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Uitspraak 1 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.



In de zaak 04/5870 WAO

Met betrekking tot de vaststelling van de medische beperkingen van appellant verwijst de Raad allereerst naar het hierboven gestelde inzake de procedure 03/5475 WAO. De Raad ziet geen grond uit de in geding gebrachte stukken de conclusie te trekken dat de psychische klachten van appellant op de datum in geding veranderd waren ten opzichte van de eerdere beoordeling. Voorts is ook de Raad ten aanzien van de door appellant gestelde rugklachten van oordeel dat niet gezegd kan worden dat deze op een geobjectiveerde medische afwijking berusten.

De grief dat het onbegrijpelijk is dat gelijkblijvende medische beperkingen kunnen leiden tot indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidklasse kan de Raad niet volgen. De Raad verwijst hiervoor naar de uitspraken gepubliceerd in RSV 1992, 207 en RSV 1993, 159. Bij een schatting die, als in de onderhavige situatie, op zowel een medische als een arbeidskundige grondslag gebaseerd is, kan ook bij ongewijzigde medische beperkingen de mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de arbeidskundige component aan verandering onderhevig zijn, zoals in het onderhavige geval als gevolg van de aan de nieuwe schatting ten grondslag gelegde gewijzigde schattingsmethodiek en de loonwaarde van de nieuw geselecteerde functies het geval is.

Voorts is de Raad van oordeel dat de namens appellant in geding gebrachte brief van het Uwv van 23 juni 2005, waarin te lezen valt dat uit een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellant naar voren was gekomen dat het verrichten van arbeid voor hem niet meer tot de mogelijkheden behoorde, niet tot het oordeel kan leiden dat appellant ten tijde in geding volledig arbeidsongeschikt was. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat een onderzoek in het kader van een reïntegratietraject niet direct betekenis heeft voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. In de tweede plaats moet de Raad ook constateren dat genoemde brief ziet op een periode gelegen enige jaren na de data in geding in beide procedures en derhalve ook daarom niet voor de onderhavige beoordelingen van betekenis kan zijn.

Wat betreft de toepassing van de gewijzigde schattingsmethodiek, met behulp van het zogenaamde claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS), verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.

In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als één van de onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen. Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan laat het zich door anderen dan functionarissen van het Uwv niet op relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft.

Punten in de FML waarvoor geen corresponderend belastingpunt aan de zijde van de functieanalyse bestaat, worden in het CBBS aangeduid als zogeheten niet-matchende beoordelingspunten. In een dergelijke situatie zal de arbeidsdeskundige steeds kenbaar, zo nodig in overleg met de verzekeringsarts, ‘handmatig’ dienen te beoordelen of zulks in de weg staat aan het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de geselecteerde functies.

In dit geding is sprake van een niet-matchend punt, namelijk 1.9.5, appellant is aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Op een vraag hieromtrent van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema bij rapport van 27 oktober 2005 geantwoord dat alle aan de schatting ten grondslag gelegde functies eenvoudige productiefuncties betreffen met een beperkt aantal taken die dagelijks terugkeren. De Raad acht deze verklaring overtuigend en ziet ook anderszins geen reden voor het oordeel dat de geduide functies niet passend zouden zijn.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de onderhavige schatting op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.

Echter, de Raad stelt vast dat het bestreden besluit 2 voor 1 juli 2005 is genomen en dat uiteindelijk in de hoger beroepsfase de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Gelet op het standpunt van de Raad met betrekking tot het CBBS heeft dit tot gevolg dat bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat uitspraak 2 niet in stand kan blijven. De Raad ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in het hoger beroep met als kenmerk 04/5870 WAO. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 25 september 2003;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van 21 september 2004;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 23 december 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 118,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat- van Dijk.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x