Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO / WW
x
LJN:
x
AV2414
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Medische beoordeling. Reďntegratie. Nieuwe aanvraag voor WW-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6164 WAO, 03/6166 WAO en 03/6133 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft gedaagde appellante met ingang van 23 juni 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 27 maart 2002 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 december 2001 heeft gedaagde bepaald dat appellante ongewijzigd voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft gedaagde bij besluit van 15 augustus 2002 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.

Bij besluit van 7 februari 2002 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2001, waarbij gedaagde heeft geweigerd terug te komen van zijn besluit van 24 november 2000 waarbij appellante met ingang van 23 juni 2000 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is geweigerd.

Bij uitspraken van 31 oktober 2003 (reg.nr. AWB 02/2060 WAO, hierna: uitspraak 1, en reg.nr. AWB 02/4283 WAO, hierna: uitspraak 2) heeft de rechtbank Amsterdam de beroepen van appellante tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

Het beroep van appellante tegen besluit 3 is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2003 (reg.nr. AWB 02/1061 WW, hierna: uitspraak 3) ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, van de drie genoemde uitspraken in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellante is bij brief van 1 december 2004 een besluit van gedaagde van 24 november 2004 ingezonden waarbij de WAO-uitkering met ingang van 24 november 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij brief van 7 oktober 2005 met bijlage heeft gedaagde vragen van de Raad betreffende de WAO-zaken beantwoord.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 30 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bol, voornoemd, en waar gedaagde, ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was werkzaam als dialyseverpleegkundige bij de Stichting Dianet Dialysecentra gedurende 36 uur per week. Op 6 januari 1999 is zij uitgevallen met klachten als gevolg van mononucleosis infectiosa (ziekte van Pfeiffer) met forse leverstoornissen en waarschijnlijk tegelijkertijd een cytomegalovirusinfectie. Van maart 1999 tot oktober 2000 heeft zij gedurende bepaalde perioden gedeeltelijk in haar eigen dan wel ander werk bij de eigen werkgever hervat, laatstelijk voor tweemaal per week 4 uur per dag. Op 9 oktober 2000 is zij weer volledig uitgevallen.



WAO-zaken

Bij onderzoek op 20 april 2000 achtte de verzekeringsarts de belastbaarheid gering, met beperkingen op energetisch vlak inclusief een urenbeperking tot maximaal 16 uur per week en 4 uur per dag. De beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid zijn neergelegd in het Formulier Functie Informatie Systeem (FIS) van 20 april 2000. Met de arbeidsdeskundige heeft zij op 25 mei 2000 besproken dat zij zich in eerste instantie zou richten op reďntegratie in haar eigen werk bij haar eigen werkgever. Voor de maatgevende functie werd zij echter als gevolg van haar beperkingen ongeschikt geacht. Appellante werd in staat geacht een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten en daarmee een zodanig inkomen te verdienen dat zij per einde wachttijd op 23 juni 2000 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt werd beschouwd.

De rechtbank heeft in hetgeen appellante tegen besluit 1 heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door gedaagde. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts, die appellante heeft onderzocht en de beperkingen van appellante heeft vastgesteld, de beperkingen van appellante heeft onderschat. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de verzekeringsarts heeft onderschreven en dat de bezwaarverzekeringsarts de door appellante ingebrachte medische informatie van de internist en de huisarts heeft meegenomen in zijn oordeelsvorming. De rechtbank is van oordeel dat er een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgehad. De rechtbank is voorts niet gebleken van overige feiten en omstandigheden die grond geven voor twijfel aan de juistheid van de arbeidskundige grondslag van de gehandhaafde schattingsbeslissing.

De rechtbank is aangaande besluit 2 met gedaagde van oordeel dat de advisering door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze is voorbereid en dat hun conclusies genoegzaam zijn gemotiveerd. De rechtbank is niet gebleken dat appellante bij de eerstejaars herbeoordeling meer beperkt was dan gedaagde heeft aangenomen en dat zij om die reden de geduide functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar heeft appellante een rapportage van de psychiater prof. dr. M. Kuilman van 21 oktober 2002 overgelegd, maar deze informatie ziet niet op de situatie van appellante ten tijde van de beoordelingen in geding van 23 juni 2000, de ingangsdatum van de WAO-uitkering, en 9 juli 2001, de datum van de eerstejaars herbeoordeling in het kader van de WAO. De rechtbank ziet aldus geen grond voor twijfel aan de door gedaagde overgenomen conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en ziet evenmin aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de arbeidskundige grondslag van de gehandhaafde schattingsbeslissing.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij in de bezwaarfase informatie van haar internist, huisarts en werkgever heeft overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat zij niet in staat was de geduide functies gedurende 16 uur per week te verrichten. Gedaagde heeft deze informatie volgens appellante niet inhoudelijk meegenomen in zijn oordeelsvorming, terwijl de rechtbank stelt dat dit wel het geval is. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de rapportage van de psychiater Kuilman van 21 oktober 2002 niet betrokken in de oordeelsvorming inzake de eindewachttijdbeslissing. Deze is van oordeel dat er wel degelijk sprake is van een psychiatrische diagnose. Hij geeft onderbouwd aan waarom hij van mening is dat de door gedaagde vastgestelde belastbaarheid niet correct is en dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de psychische belastbaarheid. De bevindingen van dr. Kuilman zien volgens appellante wel degelijk op de situatie van appellante op de data in geding, nu aan hem expliciet de vraag is gesteld zich een oordeel te vormen over het vastgestelde belastbaarheidsprofiel van 20 april 2000, waarop de eerste beslissing is gebaseerd. Appellante verzoekt de Raad een nadere expertise te laten verrichten, indien de Raad van oordeel is dat de expertise van dr. Kuilman niet kan dienen als onderbouwing van haar standpunt. Appellante wijst er voorts op dat zij met ingang van 24 november 2004 wel voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht, omdat er dan wel psychische beperkingen worden aangenomen, terwijl haar situatie hetzelfde is als ten tijde van de data hier in geding.

In een commentaar van 30 september 2005 op het rapport van dr. Kuilman stelt de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt dat deze niet aannemelijk maakt dat er in 2000 en 2001 sprake is geweest van psychische klachten. De verzekeringsarts heeft zich in april 2000, uitgaande van de toen actuele situatie, terecht beperkt tot enige locomotore en vrij forse energetische beperkingen, uitgedrukt in een urenbeperking, waarin de psychiater zich overigens wel kan vinden. De bezwaarverzekeringsarts is van oordeel dat het feit dat lichamelijke klachten enige jaren na een somatisch ziektebeeld worden verklaard door een karakterstructuur niet het aannemen rechtvaardigt van psychische beperkingen in een periode waarin appellante zelf geen psychische klachten aangeeft. In oktober 2004 is volgens de bezwaarverzekeringsarts sprake van een gewijzigde diagnostiek, die recht doet aan de expertise van dr. Kuilman. Appellante wordt dan overigens niet op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht, doch er viel tegen de achtergrond van het beperkte arbeidsvermogen geen gangbare arbeid te duiden.

De Raad kan, gelet op de formulering van de overwegingen en de conclusies van dr. Kuilman, niet anders concluderen dan dat deze betrekking hebben op de toestand van appellante ten tijde van zijn onderzoek in september 2002. Voorts ziet de Raad geen grond te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door gedaagdes artsen. Er is geen medische onderbouwing voor de stelling van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met psychische beperkingen op de data hier in geding. Evenmin is de Raad gebleken dat met de urenbeperking tot 16 uur per week niet voldoende is tegemoetgekomen aan de energetische beperking van appellante, die het gevolg was van het (niet abnormaal) trage herstel van haar ziekte. Het enkele feit dat gedaagde in 2004 tot een gewijzigde diagnostiek is gekomen en op grond daarvan toen wel psychische beperkingen heeft aangenomen, kan niet tot een ander oordeel omtrent de medische grondslag van de thans in geding zijnde besluiten leiden. De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de medische aspecten van deze zaak en ziet geen aanleiding alsnog een medisch deskundige te raadplegen.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 ziet de Raad met de rechtbank geen grond voor twijfel aan de juistheid daarvan. Het beroep tegen besluit 1 is dan ook terecht ongegrond verklaard. Uitspraak 1 komt voor bevestiging in aanmerking.

Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad het volgende. Op 9 juli 2001 heeft een verzekeringsarts aan de hand van een door appellante ingevulde vragenlijst in het kader van de eerstejaars herbeoordeling geconcludeerd dat er medisch geen verbetering was, waarna appellante ongewijzigd 65 tot 80% arbeidsongeschikt is geacht. In het kader van deze herbeoordeling heeft echter ten onrechte in het geheel geen arbeidskundige toets plaatsgevonden. Weliswaar heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad verklaard dat uit arbeidskundig onderzoek inmiddels is gebleken dat voldoende actuele functies aan besluit 2 ten grondslag gelegd kunnen worden, de Raad heeft echter op uitdrukkelijk verzoek van de gemachtigde van appellante besloten de gemachtigde van gedaagde niet toe te staan de daarop betrekking hebbende stukken ter zitting van de Raad alsnog over te leggen, nu het procesbelang van appellante zich daartegen verzet.

De Raad concludeert dat besluit 2 een deugdelijke motivering ontbeert. Het voorgaande leidt ertoe dat besluit 2 alsmede uitspraak 2, waarbij het tegen besluit 2 ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 augustus 2002.



WW-zaak

Nadat de reďntegratie bij de eigen werkgever was mislukt, heeft appellante de arbeidsdeskundige te kennen gegeven alsnog in aanmerking te willen komen voor bemiddelingsondersteuning. Vervolgens is bij besluit van 16 oktober 2000 aan appellante de WAO-uitkering naar 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid toegekend, waarna appellante op 27 oktober 2000 bij gedaagde aangifte heeft gedaan van werkloosheid en tevens een WW-uitkering heeft aangevraagd. Bij besluit van 24 november 2000 heeft gedaagde appellante die uitkering met ingang van 23 juni 2000 geweigerd omdat zij vanaf 23 juni 2000 niet beschikbaar zou zijn voor de arbeidsmarkt, nu zij dat op 23 november 2000 verklaard had tegenover R. van Dijk, rapporteur uitvoering. Daarom werd zij niet werkloos in de zin van de WW geacht. Tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. Op 15 augustus 2001 heeft de gemachtigde van appellante gedaagde verzocht terug te komen van zijn besluit van 24 november 2000 en haar alsnog in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering met ingang van 23 juni 2000. In het verzoek is gemotiveerd aangegeven dat appellante per 23 juni 2000 wel beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, reeds omdat zij toen nog bezig was met reďntegratie bij de eigen werkgever en ook daadwerkelijk heeft gewerkt. Bij besluit van 7 september 2001 heeft gedaagde het verzoek afgewezen, omdat er naar de mening van gedaagde geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden om zijn beslissing onmiskenbaar onjuist te achten. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellante zich voor maximaal 6 uur per week beschikbaar stelde, terwijl zij, om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen, voor alle verloren uren beschikbaar moest zijn.

De rechtbank heeft in haar uitspraak op het beroep van appellante tegen besluit 3, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2001 ongegrond is verklaard, overwogen dat appellante geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek af te wijzen en voor de motivering van zijn besluit te verwijzen naar het besluit van 24 november 2000. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 24 november 2000 wel degelijk onmiskenbaar onjuist is omdat zij omstreeks 23 juni 2000 nog bezig was met reďntegratie bij haar werkgever en, toen dit was mislukt een extra reďntegratietraject heeft ingezet. Op het aanvraagformulier voor de WW-uitkering heeft zij aangegeven bereid te zijn om te solliciteren op de geduide functies en deze te accepteren. Zij was dan ook wel beschikbaar vanaf 23 juni 2000. De rechtbank is volgens appellante ten onrechte op deze argumenten niet ingegaan. Ten aanzien van de verklaring van 23 november 2000 voelt appellante zich door gedaagde op het verkeerde been gezet. Zij verzoekt de Raad het inleidend beroep alsnog gegrond te verklaren, de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De Raad overweegt dat in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellante in dit verband geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 24 november 2000. Hiervan uitgaande ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 december 2003, LJN-nr. AN9805, merkt de Raad nog op dat (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt.

Uitspraak 3 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.



Proceskosten

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in het hoger beroep tegen uitspraak 2. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en op € 5,70 aan reiskosten in eerste aanleg en op € 11,90 aan reiskosten in hoger beroep.

Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van dr. Kuilman is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt hem bij een bestede tijd van 7,5 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 609,23. Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid onder IV van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van € 81,23. De proceskostenvergoeding bedraagt aldus in totaal € 1.914,83.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 31 oktober 2003 met reg.nr. AWB 02/2060 WAO;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van 31 oktober 2003 met reg.nr. AWB 02/4283 WAO;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2001;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tegen de vernietigde uitspraak tot een bedrag groot € 1.914,83, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.
Bevestigt de aangevallen uitspraak van 6 november 2003 (reg.nr. AWB 02/1061 WW).

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x