Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2476
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De loonsanctiebesluiten zijn in strijd met de wet.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1284 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 11 januari 2005, onder nr. WAO 04/377 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft ambtshalve de stukken uit de (ingetrokken) beroepszaak met nr. 05/2519 WAO aan het procesdossier toegevoegd.

Desgevraagd heeft appellant een ontbrekend stuk ingezonden.

Het geding is gevoegd met de gedingen met de registratienummers 05/1300 WAO, 04/6166 WAO en 04/6249 WAO behandeld ter zitting van de Raad op 26 oktober 2005, waar namens appellant zijn verschenen mr. A.C. Arora, mr. M.H. Beersma en mr. D.G. Rodermond, allen werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (Uwv). Gedaagde is met voorafgaand bericht niet verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagdes werkneemster Van den B. heeft zich op 5 februari 2003 ziek gemeld met rugklachten. In oktober 2003 heeft zij bij appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd met daarbij gevoegd een niet geheel volledig re´ntegratieverslag (riv). Bij brief van 28 oktober 2003 heeft appellant gedaagde in de gelegenheid gesteld binnen 2 weken het verzuim te herstellen. Toen dit niet was gebeurd, heeft appellant gedaagde bij besluit van 17 november 2003 in aansluiting op de wachttijd van 52 weken over de periode van 3 februari 2004 tot en met 3 juni 2004 een loondoorbetalingsverplichting ten aanzien van Van den B. opgelegd. Bij besluit van 23 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het tegen het besluit van 17 november 2003 gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepalingen gegeven over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank heeft overwogen dat de werkgever verantwoordelijk is voor het tijdig laten uitvoeren van werkzaamheden door de door hem ingeschakelde arbodienst. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat zij van oordeel is dat artikel 5, tweede lid van de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter (Bvlp) in strijd is met de afstemmingsbepaling van artikel 71a, negende lid, van de WAO, Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 5, tweede lid, van de Bvlp vervatte standaardsanctie van ten minste 4 maanden geen rekening houdt met de situatie dat herstel van de onrechtmatige toestand minder dan 4 maanden kan duren, hetgeen hier het geval was. De rechtbank heeft de onderhavige sanctie tevens onevenredig geacht.

Namens appellant is, kort samengevat, in hoger beroep aangevoerd dat zowel de boven- als de ondergrens van de loondoorbetalingsverplichting in principe vier maanden bedraagt, hetzij langs de band van de lichtste verzuimcategorie qua aard en ernst, hetzij langs de band van de minimale herstelperiode. De sanctie is niet punitief, maar reparatoir. De sanctie wordt vastgesteld voorafgaande aan de herstelperiode. Achteraf vindt geen beoordeling meer plaats van de feitelijk door de werkgever gebruikte herstelperiode. Appellant is van oordeel dat pas als de WAO-beoordeling is afgerond sprake is van volledig herstel in de rechtmatige toestand. De periode van vier maanden bestaat dan ook uit een herstelperiode van een maand en de dertien weken die nodig zijn om de WAO-beoordeling uit te voeren. Appellant acht een sanctie van vier maanden niet buitenproportioneel.

Gedaagde heeft de overwegingen van de rechtbank onderschreven.

De Raad oordeelt als volgt.

Artikel 34, derde lid, van de WAO bepaalt, onder meer, dat de belanghebbende, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de uitkering, zijn aanvraag dient te doen binnen 9 maanden na de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.
Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de WAO, gaat de aanvraag voor de toekenning van de uitkering vergezeld van een re´ntegratieverslag als bedoeld in artikel 71a van de WAO. Ingevolge het tweede lid van artikel 34a van de WAO wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanvraag af, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toepassing heeft gegeven aan artikel 71a, negende lid, van de WAO.

In artikel 71a, eerste tot en met vijfde lid, van de WAO zijn de verplichtingen van de werkgever in verband met het samenstellen van het re´ntegratieverslag opgenomen.
Het achtste lid van artikel 71a van de WAO bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever een termijn stelt waarbinnen het re´ntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld, indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WAO blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een re´ntegratieverslag vast te stellen niet of niet volledig is nagekomen.
Ingevolge het negende lid van artikel 71a van de WAO stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de werknemer jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien bij de behandeling van de aanvraag bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WAO blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re´ntegratie-inspanningen heeft verricht. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende re´ntegratie-inspanningen te leveren.
Het tiende lid van artikel 71a van de WAO bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van het negende lid nadere regels kunnen worden gesteld.

De Raad stelt vast dat een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 71a, tiende lid, van de WAO niet is vastgesteld.

Het Uwv heeft gelet op onder meer artikel 71a, negende lid, van de WAO en de Regeling procesgang eerste ziektejaar (Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Stcrt. 26 maart 2002, nr. 60) op 12 maart 2003 de Bvlp vastgesteld. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bvlp wordt het verzuim van de werkgever, in volgorde van toenemende ernst, aangemerkt als beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid. Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, wordt het verzuim onder meer aangemerkt als uiterste nalatigheid indien de werkgever ook nadat de termijn genoemd in artikel 71a, achtste lid, van de WAO is verstreken geen re´ntegratieverslag aan het Uwv heeft verstrekt of het re´ntegratieverslag niet heeft aangevuld.
De vaststelling van een loondoorbetalingsperiode is geregeld in artikel 5 van de Bvlp. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het Uwv een loondoorbetalingsperiode vaststelt, indien bij de behandeling van een aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WAO blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond de op hem rustende re´ntegratieverplichtingen niet of niet volledig is nagekomen of onvoldoende re´ntegratie-inspanningen heeft verricht. Ingevolge het tweede lid van artikel 5 van de Bvlp wordt de loondoorbetalingsperiode vastgesteld op het tijdvak dat naar verwachting benodigd zal zijn om de werkgever in staat te stellen alsnog zijn re´ntegratieverplichtingen na te komen en voldoende re´ntegratie-inspanningen te verrichten, doch ten minste op vier maanden.
Het vierde lid bepaalt, onder meer, dat de loondoorbetalingsperiode wordt vastgesteld op ten hoogste 12 maanden, indien het verzuim wordt aangemerkt als uiterste nalatigheid.

Voorts heeft het Uwv op 6 juni 2003 vastgesteld de Beleidsregels vorm- en herkenbaarheidsvereisten re´ntegratieverslagen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van deze beleidsregels stelt het Uwv aan de werkgever schriftelijk een termijn van veertien dagen om het re´ntegratieverslag te verstrekken of aan te vullen indien zich een van de situaties vermeld onder a, b of c voordoet. Het vijfde lid bepaalt dat het Uwv toepassing geeft aan artikel 71a, negende lid, van de WAO, indien de werkgever na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn zonder deugdelijke grond het re´ntegratieverslag niet heeft verstrekt of aangevuld.

De Raad is van oordeel dat, gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 71a, negende lid, van de WAO, de opdracht aan het Uwv in de tweede volzin van dit artikellid betekent dat het tijdvak waarover de werkgever het loon aan de werknemer moet doorbetalen mede dient te worden afgestemd op de periode die de werkgever wordt geacht nodig te hebben om alsnog voldoende re´ntegratie-inspanningen te verrichten. De periode die daadwerkelijk nodig is voor het alsnog verrichten van voldoende re´ntegratie-inspanningen kan aanzienlijk korter zijn dan de vier maanden waar artikel 5, tweede lid, van de Bvlp van uitgaat. Met name kan een administratieve tekortkoming doorgaans op korte termijn worden hersteld. Appellant heeft blijkens de op artikel 5, tweede lid, van de Bvlp, gegeven toelichting bewust geen rekening gehouden met de daadwerkelijk benodigde hersteltermijn. De minimumsanctie van 4 maanden loondoorbetaling berust op de overweging dat naast een geschatte hersteltermijn van een maand ook de wettelijke beslistermijn van 13 weken onderdeel dient uit te maken van de op te leggen sanctie. De Raad heeft voor dit laatste zowel in de tekst van artikel 71a, negende lid, van de WAO als in de wetsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt gevonden. Gelet hierop is artikel 5, tweede lid, van de Bvlp in strijd met artikel 71a, negende lid, van de WAO en derhalve onrechtmatig. Artikel 5, tweede lid, van de Bvlp kan dan ook geen grondslag vormen voor het bestreden besluit.

De conclusie uit het vorenstaande is dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Gezien het vorenstaande komt de Raad aan hetgeen overigens door partijen is aangevoerd niet meer toe.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ç 322,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot Ç 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van Ç 422,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x