Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2592
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Het standpunt dat de toename van de arbeidsongeschiktheid kennelijk uit een andere oorzaak is voortgekomen dan die op grond waarvan betrokkene een uitkering genoot, is in rechte niet houdbaar.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5780 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.P.L. Pinkster, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 17 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 03-190 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Bij brieven van 1 april 2004 en 28 februari 2005 zijn van de zijde van appellant nog nadere medische gegevens aan de Raad toegezonden, waaronder een verklaring van L.J. Haak van de Stichting MedischAdviesKollektief. Daarop is van de zijde van gedaagde gereageerd door middel van een rapport d.d. 30 maart 2005 van de bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier.

Bij brief van 27 december 2005 is van de zijde van gedaagde nog een toelichting gegeven op de actualiteit van de voor appellant geselecteerde functies, waarbij tevens was gevoegd een rapport d.d. 22 december 2005 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier.

Op 27 december 2005 en 29 december 2005 heeft de gemachtigde van appellant de Raad nog een tweetal gedingstukken doen toekomen, waaronder een nadere verklaring van voornoemde Haak.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 6 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster, voornoemd.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1957, is werkzaam geweest als steigerbouwer. In november 1992 is hij uitgevallen met nek- en linkerarmklachten en na afloop van de wachttijd is hem met ingang van 7 december 1993 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Met ingang van 25 juli 1994 is deze uitkering omgezet in een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, welk percentage nadien niet meer is gewijzigd. Daarnaast heeft appellant tot 27 januari 1997 nog een (aanvullende) uitkering ingevolge de Werkloosheidswet genoten.

In oktober 2001 heeft appellant stellende dat er sprake is van een toename van zijn klachten, een verzoek om herziening van zijn WAO-uitkering ingediend. In een daaropvolgend rapport d.d. 21 december 2001 is de verzekeringsarts J. van Eekelen tot de conclusie gekomen dat de medische situatie in vergelijking met voorheen niet is verslechterd en dat het op 9 juli 1998 voor hem vastgestelde belastbaarheidspatroon nog steeds van toepassing is. Vervolgens is de arbeidsdeskundige D.B. van Es in zijn rapport d.d. 15 januari 2002 tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor een zestal functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25-35%. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 16 januari 2002 meegedeeld dat zijn uitkering niet wordt herzien.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij twee hernia’s heeft, één in de nek en één in de rug. Dit brengt veel pijn met zich mee en naar zijn mening heeft hij meer beperkingen dan gedaagde heeft aangenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij een verklaring d.d. 5 februari 2002 van de hem behandelend neurochirurg W.F. Luitjes ingebracht. Daarnaast heeft hij er in het inleidende bezwaarschrift op gewezen dat hij een liesbreuk heeft en dat hij aan ADHD lijdt.

Op 3 mei 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans rapport uitgebracht. In dit rapport is deze tot de conclusie gekomen dat er bij appellant als gevolg van zijn rugklachten sprake is van een toename van beperkingen. Deze rugklachten dateren echter van eind 2001/begin 2002 en voor deze klachten was appellant op dat moment niet verzekerd ingevolge de WAO. Het op 9 juli 1998 vastgestelde belastbaarheidspatroon is derhalve naar zijn mening nog steeds van toepassing. In een rapport d.d. 27 augustus 2002 heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw het standpunt dat de rugklachten niet onder de WAO-verzekering vallen onderschreven. Voor het overige heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid eveneens berekend op 25-35%.

Bij schrijven van 9 september 2002 heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat zijn rugklachten al veel langer bestaan dan de voormelde bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen. Daarnaast heeft hij gesteld dat de arm- en nekklachten zijn verergerd. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij nadien onder meer nog een verklaring d.d. 12 september 2002 van de hem behandelend chiropractor James B. Russell overgelegd, die van mening is dat er verband bestaat tussen de nekklachten en rugklachten. Nadat de voornoemde bezwaarverzekeringsarts Offermans in een rapport van 24 september 2002 zijn eerder ingenomen standpunt dat appellant als gevolg van zijn rugklachten niet in aanmerking komt voor een hogere WAO-uitkering had gehandhaafd, is van de zijde van appellant nog een verklaring d.d. 26 september 2002 van voornoemde Luitjes ingebracht. Vervolgens heeft gedaagde, nadat appellant was gehoord, bij besluit van 19 december 2002 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar.

De rechtbank heeft de grieven van appellant verworpen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald, waarbij hij ter ondersteuning van deze grieven, zoals reeds vermeld in rubriek I, nog enkele medische gegevens heeft ingebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 37, eerste en tweede lid, van de WAO luidt als volgt:

1. Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats, indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitsluitend verzekerd is op grond van artikel 7b, dan wel artikel 7b en artikel 7a, en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheid wordt ontvangen, is voortgekomen.

Het geding is toegespitst op de vraag of de toename van de arbeidsongeschiktheid, ter zake van welke toename op zich tussen partijen geen verschil van mening bestaat, kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid terzake waarvan uitkering wordt genoten is voortgekomen.
Ter beantwoording van die vraag ziet de Raad zich daarbij in de eerste plaats gesteld voor de vraag welk moment in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van toekenning van een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, gevolgd door herziening naar 25-35%, van belang is voor de vaststelling welke de oorzaak is in verband waarmee de verzekerde een uitkering ontvangt.

Zoals de Raad al heeft weergegeven in zijn uitspraak van 27 april 1999 (USZ 1999/165; RSV 1999/180), is in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de WAO (Kamerstukken 7171, nr. 3) uiteengezet dat, anders dan bij de voorheen geldende Ongevallenwet, bij de WAO is gekozen voor een systeem van één uitkering, die bij toeneming of afneming van arbeidsongeschiktheid wordt verhoogd of verlaagd, zónder dat de oorzaak van de ongeschiktheid relevant is. Een uitzondering op dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 37 van de WAO. Dit artikel strekt ertoe dat, voor de in dat artikel aangegeven personen, het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt berekend, niet verzekerd is voorzover die toeneming is gelegen in een andere oorzaak dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid.

Naar het oordeel van de Raad moet hieruit worden afgeleid dat vorenbedoelde moment moet worden gelegd op de datum waarop de uitkering van de verzekerde voor het eerst wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%. Vanaf dat moment omvat de verzekering voor personen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de WAO - zo blijkt uit de bedoeling van de wetgever - niet het risico van toename van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een kennelijk andere oorzaak dan ter zake waarvan uitkering wordt ontvangen. Voor appellant ligt dat moment op 25 juli 1994, bij de herziening van zijn uitkering naar 25-35%.

Op grond van de beschikbare medische informatie kan naar oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat de onderhavige toeneming van de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die op grond waarvan appellant met ingang van 25 juli 1994 een uitkering is toegekend. In een op 22 februari 1994 uitgebracht rapport van de verzekeringsgeneeskundige R. Hesse, welk rapport ten grondslag heeft gelegen aan de herziening per 25 juli 1994, wordt reeds melding gemaakt van de rugklachten van appellant. In een daaropvolgend rapport van 16 januari 1995 van de verzekeringsgeneeskundige R. van Oijen wordt wederom vermeld dat appellant af en toe rugpijn heeft en dat hij is aangewezen op rugsparende arbeid. Dat appellant al langer rugklachten heeft, wordt ook bevestigd door de informatie zoals die uit het rapport d.d. 26 september 2002 van de hem behandelend neurochirurg W.F. Luitjes naar voren komt. In dit rapport wordt namelijk gesteld dat deze rugklachten al bestonden toen appellant bij hem in 1996 onder behandeling kwam en dat het al langer bestaan van deze klachten in overeenstemming is met de bevindingen op de MRI van de lumbale wervelkolom, waarop een oude verlittekende hernia is te zien. Het vorenstaande maakt het naar het oordeel van de Raad aannemelijk dat de rugklachten en daaruit voortvloeiende beperkingen bij de herziening van de uitkering per 25 juli 1994 reeds een rol hebben gespeeld. De Raad is op grond van de beschikbare medische informatie evenmin tot de conclusie kunnen komen dat dit bij latere herbeoordelingen anders is geweest.

De Raad voegt daar nog aan toe dat hij reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 22 oktober 2004 (USZ 2005/2), dat de formulering van artikel 37 van de WAO ertoe strekt in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van betrokkene te doen doorslaan.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het door gedaagde in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant kennelijk uit een andere oorzaak is voortgekomen dan die op grond waarvan appellant een uitkering genoot in rechte niet houdbaar is en dit betekent dat dit besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De vraag in welke mate alsook vanaf welke datum de arbeidsongeschiktheid van appellant ten gevolge van de rugklachten is toegenomen, zal door gedaagde in een nieuw besluit dienen te worden beantwoord.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand bijstand in hoger beroep. Ter zake van de reiskosten voor het bijwonen van de zittingen in beroep en in hoger beroep komt een bedrag ter hoogte € 20,80 voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de vordering van de kosten van de uitgebrachte adviezen van Haak van de Stichting MedischAdviesKollectief is de Raad van oordeel dat deze vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellant bij een bestede tijd van 3,25 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 263,99. Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid onder IV van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken opgenomen maximale uurtarief van € 81,23.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.572,79,
te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x