Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV2633
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Belastbaarheid. Geschiktheid voor de geduide functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1850 WAO en 04/3200 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 juli 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 september 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 31 januari 2003 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft het namens appellant ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 23 februari 2004, reg.nr. 03/281 WAO, ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Mr. N.E. van Uitert, werkzaam bij Bureau Friesland van Rechtshulp Noord te Leeuwarden, heeft namens appellant de gronden van het hoger beroep ingediend. Gedaagde heeft bij brief van 10 juni 2004 - onder overlegging van een aantal stukken - een op eveneens 10 juni 2004 gedagtekend nieuw besluit op het bezwaar van appellant (hierna: besluit 2) ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 januari 2006, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen T. Hollander, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is werkzaam geweest als conciërge bij een hogeschool te Groningen. Nadat appellant voor dit werk op 18 januari 1996 was uitgevallen met psychische klachten, ontving appellant met ingang van 16 januari 1997 een volledige zogeheten WAO-conforme uitkering, welke met ingang van 22 juli 1998 is ingetrokken. Vervolgens is appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om een WAO-uitkering uiteindelijk bij besluit van 13 maart 2001 met ingang van 2 december 1999 andermaal een WAO-uitkering toegekend, welke wederom werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hieraan lag ten grondslag het oordeel van de verzekeringsarts L.D. Purvis in haar rapport van 18 september 2000, dat appellant met ingang van 2 december 1999 op medische gronden volledig arbeidsongeschikt was.

Appellant is onder andere in het kader van de zogeheten eerstejaarsherbeoordeling op 12 juli 2001 onderzocht door de verzekeringsarts H.U. Schleurholts, die in zijn rapport van 13 juli 2001 een wijziging in de privé-situatie van appellant beschreef en mede op basis hiervan en van onder andere het activiteitenniveau van appellant vaststelde dat thans geen sprake was van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Volgens Schleurholts, die als diagnose stelde persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van een karakterneurose met reactieve depressieve reactievormen, toen in nog enigszins wankele remissie, diende er een beperkte belastbaarheid te gelden tot 4 uur per dag, 5 dagen per week. Voorts gaf Schleurholts een aantal nader omschreven psychische beperkingen aan op de onderdelen 28A, D, E, H en I. Een en ander legde hij vast in het handgeschreven FIS-formulier van 13 juli 2001. Op basis hiervan ging de arbeidsdeskundige M.R. Lugtmeier blijkens haar rapport van 19 juli 2001 over tot functieduiding en berekende zij het verlies aan verdiencapaciteit op 63,81%, waarna gedaagde het primaire besluit van 24 juli 2001 nam.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp blijkens zijn rapport van 9 juli 2002 de beschikbare medische gegevens, waaronder het onderzoek van Schleurholts, opnieuw gewogen en geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant op zorgvuldige wijze is verdisconteerd in het opgestelde FIS-formulier. Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit zijn primaire besluit.

De rechtbank heeft in de in beroep namens appellant aangevoerde gronden, welke er - kort gezegd - op neer komen dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig en onvolledig was, aanleiding gezien de psychiater R. Graveland te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Graveland heeft appellant op 16 september 2003 onderzocht en van zijn onderzoek op 12 november 2003 verslag uitgebracht. In zijn uitvoerig gemotiveerde rapport concludeerde Graveland dat bij appellant sprake is van een aan autisme verwante contactstoornis, het meest gelijkend op het syndroom van Asperger. Volgens Graveland wordt met de door Schleurholts en Waasdorp gestelde psychische beperkingen en urenbeperking meer dan voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant en is het voor appellant zeker mogelijk arbeid te verrichten indien wordt voldaan aan de door de verzekeringsartsen gestelde voorwaarden. Wel dient volgens Graveland ter voorkoming van stress op de werkplek een coach of aanspreekpersoon aanwezig te zijn met wie appellant problemen kan bespreken.

De rechtbank heeft, de conclusies van Graveland volgende, het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat het door Graveland geformuleerde vereiste van begeleiding in arbeid aan de arbeidsdeskundige had moeten worden voorgelegd om te bezien of de geduide functies daaraan voldoen. Voorts is de gemachtigde van mening dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn rugklachten zijn miskend. Om beide redenen acht de gemachtigde de geduide functies te belastend voor appellant.

Gedaagde heeft hangende de procedure in hoger beroep besluit 1 ingetrokken en besluit 2 afgegeven. Besluit 2 hield in dat appellant op de datum in geding om arbeidskundige redenen, verband houdende met de vraag of de appellant geduide functies voldoende actueel waren, in aanmerking werd gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De Raad stelt vast dat besluit 2 niet geheel aan het beroep van appellant tegen besluit 1 tegemoet komt. Ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Uit het vorenoverwogene volgt in het licht van vaste rechtspraak van de Raad dat het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. In verband hiermede dient het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot het beroep van appellant, dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2, overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt vast dat de medische grondslag van besluit 2 niet verschilt van die van besluit 1. Evenals de rechtbank ten aanzien van besluit 1 heeft ook de Raad wat betreft besluit 2 geen aanleiding gezien tot een ander oordeel te komen dan de deskundige Graveland heeft gegeven over de vanwege gedaagde voor appellant vastgestelde psychische belastbaarheid. Van de zijde van appellant zijn ook geen medische gegevens in geding gebracht, die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de deskundige. De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat met de conclusie van Schleurholts dat, gelet op het onderzoek van de rug, er beperkingen zijn voor werken in zware rugbelastende functies waarbij veel torsie voorkomt, de mate van de uit de rugklachten van appellant voortvloeiende beperkingen is onderschat.

De Raad is verder van oordeel dat in de geduide functies aan het door Graveland geformuleerde vereiste van begeleiding in voldoende mate kan worden voldaan. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer van 8 juni 2004 is immers uiteengezet dat de nog resterende drie functies blijkens de verkorte functieomschrijvingen worden verricht onder leiding en/of toezicht van een chef, lijnassistent, vestigingsmanager of groepsleider, zodat een duidelijk benoemde en herkenbare aanspreekpersoon aanwezig is. De Raad deelt dan ook niet het standpunt van appellant dat de geduide functies om de door hem aangegeven redenen te belastend zijn.

Uit het vorenstaande volgt, mede bezien in het licht van artikel 8:69 van de Awb, dat besluit 2 in recht stand kan houden zodat het daartegen mede gericht geachte beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen – wat betreft de proceskosten in de procedure in eerste aanleg – door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x