Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV3076
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene was niet verzekerd voor de WAO, zodat reeds om die reden WAO-uitkering kon worden geweigerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1007 WAO en 04/1708 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 maart 2001 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat zij ongewijzigd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt geacht.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Maastricht, gemaakte bezwaar bij besluit van 21 januari 2003 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft het door de gemachtigde van appellante ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 6 februari 2004, reg.nr. AWB 03/208 WAO, gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.
De gemachtigde van appellante heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift aangegeven gronden, met bijlagen, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij brief van 24 maart 2004 zijn nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante, eveneens gedateerd 24 maart 2004 (hierna: besluit 2) ingezonden. Daarbij heeft gedaagde het bezwaar van appellante andermaal ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellante heeft tegen besluit 2 beroep ingesteld bij de rechtbank, welk beroep door de rechtbank op 31 maart 2004 is gezonden naar de Raad.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 januari 2006, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.H.H.J. Krijnen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was werkzaam als verkoopster toen zij zich op 29 juli 1992 ziek meldde als gevolg van een polscontusie. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd van 52 weken heeft de rechtsvoorgangster van gedaagde bij besluit van 6 december 1993 aan appellante met ingang van 29 juli 1993 onder andere een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft bij dit zelfde besluit met ingang van 5 december 1993 onder andere deze uitkering ingetrokken. De rechtbank Maastricht heeft het tegen deze intrekking ingestelde beroep bij uitspraak van 8 maart 1995 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 16 maart 2000 aan gedaagde om herziening verzocht van de intrekking van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 december 1993. Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 2 augustus 2000 afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Vervolgens is vanwege gedaagde in januari 2001verzekeringsgeneeskundig en in februari 2001 arbeidskundig onderzoek gedaan ter beantwoording van de vraag of ten aanzien van appellante sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in verband met toegenomen beperkingen. Dit onderzoek heeft geleid tot het nemen door gedaagde van het in rubriek I van deze uitspraak omschreven primaire besluit van 26 maart 2001. In de bezwaarprocedure, waarin in het bezwaarschrift is gevraagd appellante volledig arbeidsongeschikt te beschouwen met ingang van haar aanvraag van 16 maart 2000, hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige op 18 februari 2002 respectievelijk op 14 januari 2003 gerapporteerd, waarna gedaagde op basis van hun bevindingen bij het bestreden besluit zijn primaire besluit heeft gehandhaafd.

In de beroepsprocedure heeft de gemachtigde van appellante ter zitting van de rechtbank op 26 januari 2004 desgevraagd verklaard dat in de brief van 16 maart 2000 ook toegenomen arbeidsongeschiktheid is gemeld en heeft hij de rechtbank verzocht de afwijzing bij het besluit van 2 augustus 2000 van het in deze brief vervatte verzoek om herziening van het besluit van 6 december 1993 deel uit te laten maken van de in deze beroepsprocedure aan de orde zijnde besluitvorming.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het regime in de WAO met betrekking tot de verzekering uiteengezet. De rechtbank heeft voorts, naar aanleiding van de verklaring ter zitting van appellante dat zij sedert de beŽindiging van haar dienstverband op of omstreeks eind 1993/begin 1994 geen loonvormende arbeid in dienstbetrekking meer heeft verricht en sedertdien aangewezen was op een bijstandsuitkering, overwogen dat daarmee a prima vista lijkt vast te staan dat appellante ten tijde van haar aanvraag van 16 maart 2000 niet verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten. Omdat gedaagde dit niet had onderkend en daarnaar geen onderzoek heeft ingesteld, dient besluit 1, aldus de rechtbank, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten overvloede overwoog de rechtbank nog dat besluit 1 niet zag op de vraag of aanleiding bestond terug te komen op het besluit van 6 december 1993, nu op die vraag immers reeds was beslist bij het besluit van gedaagde van 2 augustus 2000, waartegen geen rechtsmiddel is aangewend.

Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak besluit 2 genomen. Gedaagde heeft in besluit 2 - onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak en uitgaande van de nu bekende gegevens - vastgesteld dat appellante in verband met haar aanvraag van 16 maart 2000 niet als verzekerd voor de WAO kan worden aangemerkt, zodat appellante reeds om die reden niet in aanmerking kon komen voor een WAO-uitkering. Subsidiair heeft gedaagde de medische en arbeidskundige grondslag van het primaire besluit gehandhaafd.

Met betrekking tot besluit 2, waarbij gedaagde - zonder aan het beroep van appellante tegen besluit 1 tegemoet te komen - het bezwaar van appellante andermaal, zij het op andere gronden dan bij besluit 1, ongegrond heeft verklaard, overweegt de Raad allereerst dat overeenkomstig vaste rechtspraak ook op besluit 2 de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb van toepassing zijn. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geldt dat in deze hoger beroepsprocedure tevens besluit 2 dient te worden beoordeeld omdat het beroep van appellante tegen besluit 1 op de voet van artikel 6:19, eerste lid, geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Uit het vorenoverwogene volgt in het licht van eveneens vaste rechtspraak van de Raad dat het belang van appellante bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen tenzij van zoín belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. In verband hiermede dient het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

Uitgaande van de uitvoerige uiteenzetting in de aangevallen uitspraak omtrent het regime in de WAO terzake van de verzekering ingevolge die wet en op basis van de inmiddels bekende gegevens heeft gedaagde bij besluit 2 vastgesteld dat appellante naar aanleiding van de aanvraag van 16 maart 2000 niet verzekerd was ingevolge de WAO. De Raad stelt dienaangaande vast dat, zoals in de bezwaarprocedure van de zijde van appellante is gevorderd, deze aanvraag ook zag op toegenomen arbeidsongeschiktheid en zulks met ingang van 16 maart 2000. Uitgaande van hetgeen ter zitting van de rechtbank door appellante desgevraagd is verklaard omtrent haar arbeids- en uitkeringsgeschiedenis sedert het einde van haar dienstverband komt de Raad tot het oordeel dat gedaagde bij besluit 2 terecht heeft vastgesteld dat appellante op evenbedoelde datum niet verzekerd was ingevolge de WAO. Zij was immers toen geen werknemer en werd ook niet anderszins voor de toepassing van de WAO als werknemer beschouwd. De Raad heeft bij zijn oordeel tevens in aanmerking genomen dat, gezien het tijdsverloop van meer dan vijf jaren tussen de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 5 december 1993 en de datum waarop volgens appellante de toegenomen arbeidsongeschiktheid betrekking had, op de aanvraag van appellante, voorzover deze tevens zag op toegenomen arbeidsongeschiktheid, artikel 43a van de WAO niet van toepassing was.

Wat betreft de houdbaarheid in rechte van besluit 2 ziet de Raad er voorts niet aan voorbij dat daarbij het primaire besluit is gehandhaafd op een andere grond dan die waarop laatstbedoeld besluit steunt. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zoals neergelegd in bijvoorbeeld zijn uitspraak van 7 juni 2001 (AB 2001,251), staat hieraan evenwel niet in de weg de op grond van artikel 7:11 van de Awb plaats vindende heroverweging op de grondslag van het bezwaar. Voorts is het resultaat van de aldus bij besluit 2 gepleegde heroverweging niet dat appellante als gevolg daarvan in een slechtere positie is komen te verkeren dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn geweest. De uitkomst van het primaire besluit en besluit 2 is immers dat aan appellante naar aanleiding van haar aanvraag geen WAO-uitkering wordt toegekend.
De Raad overweegt verder dat in besluit 2 terecht is vastgesteld dat, voorzover de aanvraag van appellante van 16 maart 2000 zag op het terugkomen van het besluit van 6 december 1993, voorzover daarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 december 1993 was ingetrokken, daarop reeds op 2 augustus 2000 is beslist en tegen die beslissing geen rechtsmiddel is aangewend.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep van appellante, voor zover dit moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2, ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van Ä 102,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x