Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV3079
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting per einde wachttijd. Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1037 WAO en 04/1038 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2004, nummer AWB 02/783 WAO en AWB 02/4631 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 januari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham en waar namens gedaagde is verschenen mr. E.F. de Roy van Zuydewijn, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij een besluit van 8 februari 2002, verder: besluit 1, is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 8 juni 2001, waarbij appellante is medegedeeld dat zij na afloop van de zogeheten wachttijd van 52 weken, op en na 13 april 2002, voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is, zodat haar geen uitkering ingevolge die wet wordt toegekend.

Bij een ander besluit van 8 februari 2002: verder: besluit 2, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 12 juli 2001, waarbij de over het tijdvak van 13 april 2001 tot en met 30 juni 2001 onverschuldigd betaalde bedrag aan uitkering ingevolge de WAO van € 1.950,48 van haar wordt teruggevorderd en tegen een besluit van 12 oktober 2001 waarbij vanaf oktober 2001 het maandelijks terug te betalen bedrag is gesteld op € 44,44.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Appellante bestrijdt in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de besluiten 1 en 2.

De Raad moet de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht de besluiten 1 en 2 in stand heeft gelaten. De Raad oordeelt als volgt.

Met betrekking tot besluit 1 is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante op en na 13 april 2001 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is.

Wat betreft het medisch aspect van die beoordeling overweegt de Raad dat in elk geval de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra in haar rapport van 19 november 2001 een complete en zorgvuldige beoordeling van de belastbaarheid van appellante heeft gemaakt. Die beoordeling berust op uitvoerig eigen onderzoek en op onder andere de brief van 12 april 2001 van de psychotherapeut drs. W.R. Harteveld, bij wie appellante tot 13 december 2001 onder behandeling is geweest. Hoornstra heeft aan de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante het aspect conflicthantering toegevoegd maar heeft ook aangegeven dat haar onderzoeksbevindingen geen aanleiding geven om appellante op medische gronden wat betreft het aantal te werken uren per week een beperking op te leggen.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanleiding gevonden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Hoornstra onjuist te achten. Van de zijde van appellante zijn geen medische gegevens aangedragen die voldoende steun bieden voor haar opvatting dat zij op de datum in geding niet voltijds werkzaam zou kunnen zijn in werkzaamheden waarin is voldaan aan de belastbaarheid van appellante, zoals door Hoornstra vastgesteld op 19 november 2001.
De inhoud van de brief van drs. Harteveld, die ten tijde van de datum in geding, al enige maanden geen contact meer met appellante had, geeft ook geen aanwijzingen dat appellante op de datum in geding niet kon werken in aangepast werk.
Ten slotte heeft Hoornstra naar het oordeel van de Raad in haar rapport voldoende overtuigend beargumenteerd waarom de op basis van de door haar vastgestelde belastbaarheid door de bezwaararbeidsdeskundige D. Klazema geselecteerde functies ondanks de door het computersysteem gesignaleerde markeringen voor appellante geschikt zijn.

Wat betreft het arbeidskundig aspect van de onderhavige beoordeling overweegt de Raad dat ook, indien als maatman de assistent-redacteur/verslaggever die op 32 uur per week werkt, wordt genomen in plaats van degene die voltijds tegen het minimumloon werkt, dit voor het resultaat van de schatting, mede in aanmerking genomen de inhoud van het Besluit uurloonschatting 1999 zoals dat luidde op de datum in geding, geen verschil maakt. In beide gevallen (f 18,55 respectievelijk f 16,69) blijft het uurloon ruimschoots beneden de door de bezwaararbeidsdeskundige D. Klazema in zijn rapport van 20 november 2001 berekende mediane uurloonwaarde van f 19,74, die appellante in aangepaste arbeid op de datum in geding kan verdienen, zodat er in beide gevallen geen sprake is van enig verlies aan verdiencapaciteit.

Terecht heeft de rechtbank besluit 1 in stand gelaten.

Wat betreft besluit 2 komt de Raad ook niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Wat betreft het primair terugvorderingsbesluit is ook de Raad niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Onderbouwing van de gestelde penibele situatie heeft appellante namelijk ook in hoger beroep niet gegeven.

Wat betreft het invorderingsbesluit waarbij de maandelijks terug te betalen termijn op € 44,44 is gesteld, stelt de Raad vast dat appellante, ofschoon daartoe uitgenodigd, geen inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie zodat gedaagde dit termijnbedrag kon vaststellen. Het gegeven dat appellante ter zitting van de Raad spontaan heeft verklaard dat zij het hele bedrag inmiddels heeft terugbetaald, wijst ook niet op een onjuiste vaststelling van de hoogte van die termijn.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x