Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV3099
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-02-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het verzet is ongegrond omdat er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/577 WAO




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposante], wonende te [woonplaats], opposante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2004, reg. nr. Awb 03-1147 WAO.

Bij uitspraak van 15 juli 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposante is van die uitspraak in verzet gekomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 17 januari 2006, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Ten gevolge van het door opposante gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 15 juli 2005 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege een niet verschoonbare overschrijding van de in de Awb gestelde termijn van zes weken voor het indienen daarvan.

Hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 15 juli 2005.

De Raad is van oordeel dat hetgeen door opposante is aangevoerd niet voldoende is onderbouwd om de termijnoverschrijding van zes weken te excuseren. Door het indienen van bijvoorbeeld een medische verklaring had zij haar argumenten duidelijker kunnen onderbouwen.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat opposante zich had kunnen wenden tot een wetswinkel of bureau voor rechtshulp in haar woonplaats. Door lang te wachten met het instellen van het hoger beroep heeft opposante een risico genomen en zoals de Raad reeds eerder in zijn uitspraken heeft overwogen dient dit risico voor rekening van de betrokkene te komen.

Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb, ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x