Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV3822
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5916 WAO en 04/421 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 7 oktober 2003 onder kenmerk 03/48 WAO door de rechtbank Assen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend; in een bijlage daarbij heeft gedaagde een nieuw besluit op bezwaar van 13 januari 2004 met bijlagen toegezonden.

Gedaagde heeft op 14 november 2005 vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken toegezonden.

Appellante heeft op 2 januari 2006 en op 11 januari 2006 brieven met bijlagen ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 2006, waar appellante als aangekondigd in de brief van 11 januari 2006 niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. T.M. Snippe, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft bij zijn besluit van 5 december 2002, hierna: het bestreden besluit, een eerder besluit gehandhaafd waarbij aan appellante per 16 juli 2000 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is geweigerd. Gedaagde achtte appellante op en na die datum weliswaar ongeschikt voor haar eigen werk als huishoudelijke hulp voor 20 uur per week, maar geschikt voor het verrichten van aan haar voorgehouden andere functies, waarmee zij minstens hetzelfde kon verdienen als het inkomen van haar vroegere beroep.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist moet worden geacht en dat voor de door appellante gewenste urenbeperking geen noodzaak aanwezig is. De rechtbank heeft echter geconstateerd dat bij de selectie van de aan appellante voorgehouden functies geen acht is geslagen op de noodzaak dat het moest gaan om functies die op de in geding zijnde datum van 16 juli 2000 op de arbeidsmarkt aanwezig waren. Gelet op dit gebrek in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft zij, met bepalingen omtrent betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht, het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellante zal nemen.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft in hoofdzaak aangevoerd dat de medische beoordeling en de inschatting van haar beperkingen door gedaagde onjuist is geweest en dat de rechtbank (ook) om die reden het bestreden besluit had moeten vernietigen.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellante moet de vraag worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is in rechte stand kan houden.

Naar het oordeel van de Raad moet die vraag bevestigend worden beantwoord. De Raad onderschrijft de overwegingen ter zake van de rechtbank. Daaraan zij toegevoegd dat de door appellante in het geding gebrachte brief van 17 mei 2005 van haar behandelend orthopedisch chirurg M.L.R. Urlus betrekking heeft op nekklachten die zijn ontstaan als gevolg van een auto-ongeval op 29 april 2005 en dat uit die brief niet blijkt dat appellante op de in geding zijnde datum van 16 juli 2000 zodanige nekafwijkingen had dat deze mogelijk hebben geleid tot beperkingen ten aanzien van arbeid. De Raad wijst er voorts op dat de bezwaarverzekeringsarts S. Imik blijkens zijn rapport van 8 november 2002 de medische gegevens van de huisarts vanaf begin 1996 in de beoordeling heeft meegewogen. Ook daaruit blijkt niet van nekklachten rond de datum in geding.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover door appellante aangevochten, moet worden bevestigd.

Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) komt de Raad thans toe aan de beoordeling van het nieuwe, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen, besluit op bezwaar van 13 januari 2004, waarbij gedaagde heeft gehandhaafd zijn eerdere beslissing om appellante per 16 juli 2000 een WAO-uitkering te weigeren.
Aan dit nieuwe besluit ligt een nieuwe arbeidskundige beoordeling ten grondslag. De bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman heeft met behulp van het FIS onderzoek verricht naar de arbeidsmogelijkheden van appellante. Op 27 november 2003 heeft de arbeidsdeskundige aan gedaagde gerapporteerd dat appellante op grond van de door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven belastbaarheid geschikt is voor een aantal in het FIS voorkomende functies. Het inkomen dat appellante met het uitoefenen van deze functies kan verdienen is vastgesteld op € 7,76 per uur. Afgezet tegen het inkomen dat appellante op 16 juli 2000 in haar vroegere beroep van huishoudelijke hulp verdiend zou hebben, € 8,15, heeft de bezwaararbeidsdeskundige een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 4,79%. Onder verwijzing naar het rapport van 9 november 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens heeft gedaagde op 14 november 2005 aan de Raad bericht dat één van de door Westerman geduide functies dient te vervallen, namelijk de functie van operator (Fb-code 3808), omdat in het loon van deze functie een onregelmatigheidstoeslag is verwerkt welke toeslag niet in het maatmanloon voorkomt. Er resteren echter nog voldoende andere functies en het opnieuw berekende arbeidsongeschiktheidspercentage blijft beneden 15%.

Appellante kan zich met dit besluit evenmin verenigen en heeft aangevoerd dat zij niet in wisselende diensten werkzaam was, zodat dit werk haar in beginsel niet opgedragen kan worden. Appellante heeft voorts per functie aangegeven waarom deze niet geschikt voor haar is.

De Raad is van oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts N.Visser op 3 november 2003 de door het systeem aangegeven overschrijdingen met de bezwaararbeidsdeskundige Westerman heeft besproken en nader heeft toegelicht waarom de functies toch als passend zijn aan te merken. Appellante heeft geen gegevens ingebracht waarmee aannemelijk kan worden gemaakt dat deze functies haar gezien haar belastbaarheid toch niet kunnen worden opgedragen.

De Raad is niet gebleken dat in het loon van de resterende vijf functies toeslagen voor wisselende diensten zijn begrepen. Nu appellante niet op medische gronden beperkt is voor het werken in wisselende diensten ziet de Raad niet in waarom functies in wisselende diensten zonder onregelmatigheidstoeslag op zichzelf niet geduid zouden mogen worden.

Appellante beschikt over een MBO-diploma, namelijk dat van Z-verpleegkundige. Daarom kunnen haar naar het oordeel van de Raad functies met als vereiste een MBO-diploma of zonder nadere uitsplitsing naar richting op MBO-niveau worden geduid. Zij voldoet echter niet aan de beroepservaringseisen van de functies van routechauffeur (fb-code 9855) en museumsuppoost (fb-code 5895), zodat deze functies buiten beschouwing moeten blijven. Er resteren echter nog voldoende op de datum in geding actuele functies met voldoende arbeidsplaatsen om de schatting op te baseren en de mate van arbeidsongeschiktheid blijft minder dan 15%.

Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 13 januari 2004 in rechte stand kan houden en dat het mede tegen dit besluit gericht geachte beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep, dat mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 13 januari 2004 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x