Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV5268
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. De ratio van de uitlooptermijn. Beperkte opschuiving van de herzieningsdatum.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2753 WAO en 05/697 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 18 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellant heeft het tegen dit besluit door gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 26 juli 2002 (hierna: besluit 1) gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 21 februari 2002 in zoverre gewijzigd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde met ingang van 18 februari 2002 wordt gesteld op 35 tot 45%.

De rechtbank Breda heeft het door gedaagde ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 15 mei 2003, 02/1630 WAO, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft appellant voorts gelast het door gedaagde betaalde griffierecht te vergoeden.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft bij brief van 2 februari 2005 een afschrift van zijn besluit van 3 juni 2003 (hierna: besluit 2) ingezonden. Dit besluit houdt een wijziging in van besluit 1 in dier voege dat uit een oogpunt van zorgvuldigheid de herziening van gedaagdes WAO-uitkering ingevolge besluit 1 ingaat met ingang van 25 februari 2002.

Bij brief van 1 maart 2005 heeft gedaagde zijn standpunt in dit geding nader uiteengezet.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 maart 2005, waar namens appellant is verschenen H.B. Verhappen, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote F. Razzouk.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld heeft gedaagdes echtgenote bij brief van 22 augustus 2005 zijn bezwaren tegen besluit 2 ingezonden.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 25 oktober 2005. Namens appellant is daar verschenen W.F. Bergman, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde -zoals tevoren telefonisch was aangekondigd - wegens ziekte niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde was werkzaam als sloper toen hij op 18 februari 1999 uitviel met oorklachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft appellant aan gedaagde met ingang van 17 februari 2000 een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid op 18 april 2001 is deze uitkering met ingang van 16 mei 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vervolgens heeft vanwege appellant verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij is vastgesteld dat voor gedaagde met ingang van 28 januari 2002 het belastbaarheidspatroon geldt van 22 december 1999. Appellant heeft deze bevinding bij brief van 18 februari 2002 aan gedaagde medegedeeld en melding gemaakt van het feit dat gedaagde met ingang van 28 januari 2002 hersteld wordt gemeld voor zijn passende functies. Vervolgens heeft appellant het primaire besluit van 21 februari 2002 genomen.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts het aan het primaire besluit ten grondslag liggende oordeel omtrent de belastbaarheid van gedaagde gehandhaafd en heeft de bezwaararbeidsdeskundige blijkens het rapport van 17 juli 2002 van de in aansluiting op het einde van de wachttijd geduide functies, waarvoor gedaagde met ingang van 28 januari 2002 weer geschikt werd geacht, uiteindelijk drie functies gehandhaafd en het verlies aan verdiencapaciteit op laatstgenoemde datum berekend op 36%. Daarna nam appellant besluit 1.

Naar aanleiding van het beroep van gedaagde, waarbij hij zijn in de bezwaarprocedure ter hoorzitting van 4 juli 2002 aangevoerde medische en arbeidskundige gronden, welke betrekking hebben op het verrichte medisch onderzoek en de geschiktheid van gedaagde voor de geduide functies, heeft herhaald, heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van besluit 1 onderschreven.
De rechtbank heeft echter tevens geoordeeld dat besluit 1 niettemin niet in stand kan blijven omdat besluit 1 is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Appellant heeft, aldus de rechtbank, namelijk bij besluit 1 niet voldaan aan de minimumeis conform vaste rechtspraak van de Raad dat bij het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit aan een betrokkene na confrontatie met de opvatting, dat hij ongeschikt is voor zijn eigen werk maar geschikt is voor passende werkzaamheden, een zogeheten uitlooptermijn van ten minste twee maanden wordt gegund.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Voorts heeft appellant aangegeven van oordeel te zijn dat er, nu het primaire besluit eerst op 21 februari 2002 is genomen, aanleiding is de verlaging van de WAO-uitkering van gedaagde eerst op 25 februari 2002, zijnde de maandag na 21 februari 2002, te doen ingaan. Appellant heeft deze wijziging neergelegd in besluit 2.

De Raad stelt voorop dat in een situatie als de onderhavige, waarin alleen het bestuursorgaan hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingesteld, en besluit 2 niet is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, maar alleen en los van die uitspraak - met expliciete wijziging in zoverre van besluit 1 - strekt tot een beperkte opschuiving van de datum van ingang van de herziening van de WAO-uitkering van gedaagde, appellant belang heeft behouden bij een oordeel van de Raad omtrent zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

Appellants hoger beroep keert zich tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de door hem uit zorgvuldigheidsoverwegingen in acht te nemen uitlooptermijn bij de in geding zijnde herziening van gedaagdes WAO-uitkering. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat gedaagde ingevolge het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999 (Stcrt. 2000, 158) geschikt is te achten voor het eigen werk. Weliswaar is er niet strikt sprake van het eigen werk bij eigen werkgever, doch conform vaste jurisprudentie van de Raad dient in een geval als het onderhavige, waar na het bereiken van de maximumtermijn Ziektewet een blijvende ongeschiktheid bestaat voor het oude werk en er niet in enig werk is hervat, als maatstaf voor zijn arbeid te gelden de arbeid die in het kader van de schatting voor de WAO als passend kan worden aangemerkt, aldus appellant.

Deze grief treft doel.

De Raad onderschrijft de door appellant betrokken stelling dat de ratio van meergenoemde uitlooptermijn is dat een uitkeringsgerechtigde, nadat hem het standpunt van het Uwv is kenbaar gemaakt dat zijn uitkering zal worden verlaagd, de gelegenheid moet worden gegeven zich te beraden op zijn nieuwe situatie en zich te oriŽnteren op de arbeidsmarkt. Indien een uitkeringsgerechtigde, na enige tijd een verhoging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering te hebben genoten, weer in dezelfde toestand komt te verkeren als voor de aanvang van de toename van de arbeidsongeschiktheid en op basis van de voorheen geduide functies de uitkering wordt herzien, bestaat er geen aanleiding om die uitkeringsgerechtigde wederom de gelegenheid te geven om zich te beraden op de nieuwe situatie en zich te oriŽnteren op de arbeidsmarkt.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot besluit 2, dat ziet op een - in de tijd beperkte - wijziging van besluit 1 ten aanzien van de ingangsdatum van de herziening van de WAO-uitkering van gedaagde en waartegen ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde geacht moet worden beroep te hebben ingesteld, overweegt de Raad dat dit beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad onderschrijft het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige aspecten van de beoordeling die ten grondslag ligt aan besluit 1. In de gedingstukken, in het bijzonder de in rubriek I genoemde brief van 22 augustus 2005, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de medische en arbeidskundige situatie op de datum bij besluit 2 in geding, zijnde 25 februari 2002, verschilde van die welke aan de orde was bij besluit 1, 18 februari 2002.

Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin een beslissing is gegeven over de uitlooptermijn;
Verklaart het beroep dat gedaagde geacht moet worden te hebben ingesteld tegen besluit 2 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x