Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV5297
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Intrekking van de toeslag. Eis van goede taalbeheersing. Actualisatiedatum van de geselecteerde functie. Onvoldoende functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/358 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, op bij beroepschrift van 19 januari 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Maastricht op 10 december 2003 onder reg.nr. AWB 2002/1821 WAO gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, gedateerd 19 februari 2004.

Beide partijen hebben nadien nadere stukken ingebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 januari 2006, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Meuwissen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


In dit geding gaat de Raad, voor zover voor zijn oordeelsvorming van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 11 juni 2002 (besluit 1) heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat de hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 1 maart 2001 wordt voortgezet voor een periode van maximaal vijf jaar. Voorts is meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van een inmiddels plaatsgevonden hebbende herbeoordeling nader is bepaald op 15 tot 25% en dat zijn uitkering met ingang van 30 juli 2002 wordt gewijzigd en wordt vastgesteld op basis van laatstvermelde klasse.

Voorts heeft gedaagde bij besluit van 12 juni 2002 (besluit 2) appellant meegedeeld dat hij vanaf 30 juli 2002 niet langer recht heeft op een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op zijn WAO-uitkering.

Namens appellant is tegen de besluiten 1 en 2 bezwaar ingediend.

Gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald heeft van de zeven door de arbeidsdeskundige C. van Erp voor de schatting geselecteerde functies, vallend onder 6 verschillende functiebestandscodes (fb-codes), de functies die een wisseldienstpatroon kennen als schattingsgrondslag laten vallen. Er resteren naar het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige drie passende functies - onder drie verschillende fb-codes - waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid ruim 26% bedraagt. Alle overige grieven zijn door gedaagde van de hand gewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft gedaagde achtereenvolgens:
- het namens appellant tegen besluit 1 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 30 juli 2002 nader herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%;
- het namens appellant tegen besluit 2 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

In dit geding is aan de orde of gedaagde bij besluit van 30 oktober 2002 terecht de uitkering van appellant ingevolge de WAO met ingang van 30 juli 2002 nader heeft vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% en - hiermee samenhangend - terecht de uitkering van appellant ingevolge de TW per laatstgenoemde datum heeft beëindigd.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uiteengezet dat, en op welke gronden, het besluit van 30 oktober 2002 zowel ten aanzien van de herziening van de WAO-uitkering per 30 juli 2002 als ten aanzien van de intrekking van de uitkering ingevolge de TW, in rechte stand kan houden.

In hoger beroep is van de zijde van appellant verwezen naar hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd en zijn meer specifiek grieven geuit tegen de medische en arbeidskundige grondslag van de herzieningsbeslissing ingevolge de WAO.
De Raad overweegt ten aanzien van het besluit ingevolge de WAO als volgt.

De grief van appellant dat de aan de schatting ten grondslag liggende medische beoordeling onzorgvuldig - want zonder voldoende gegevens van de behandelende sector - tot stand is gekomen, wordt niet onderschreven.
Aan de Raad is niet gebleken van aanknopingspunten voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker over ontoereikende gegevens voor een verantwoorde oordeelsvorming en advisering heeft beschikt. De Raad tekent daarbij aan dat de bezwaarverzekeringsarts Jonker zich bij haar oordeelsvorming, naast de zich in het dossier reeds bevindende gegevens, heeft gebaseerd op desgevraagd verkregen informatie van de huisarts van appellant van 19 september 2002. De Raad voegt hieraan toe dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellant op de hier in geding zijnde datum, en reeds ruim daarvoor, niet langer onder behandeling was van een medisch specialist.
Het gegeven dat appellant in verband met zijn knieklachten in september 2002 was verwezen naar een orthopedisch chirurg noopte de bezwaarverzekeringsarts uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding niet tot het aldaar opvragen van nadere informatie. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 27 juni 2003, gepubliceerd in RSV 2003/225 en voegt hieraan toe dat volgens zijn vaste jurisprudentie een (bezwaar)verzekeringsarts voorts niet gehouden is op kenbare wijze te motiveren waarom van het raadplegen van een arts is afgezien.

Ten aanzien van de voor appellant geldende medische beperkingen op de datum in geding heeft de Raad geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts (i.o.) H. Dautzenberg en de bezwaarverzekeringsarts Jonker, als neergelegd in hun rapportages van 28 mei 2002, respectievelijk 9 oktober 2002, noch aan de beperkingen zoals deze zijn weergegeven in de verwoording belastbaarheid belanghebbende en het formulier functie informatie systeem va/ad, beide gedateerd 28 mei 2002.
Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens overgelegd die steun bieden voor zijn stelling dat de beperkingen ten gevolge van zijn knieklachten op de hier in geding zijnde datum 30 juli 2002 zijn onderschat. Voorts acht de Raad de door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 31 december 2004 gegeven uiteenzetting ten aanzien van de door appellant bij schrijven van 17 mei 2004 overgelegde medische informatie overtuigend. De Raad heeft dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat op de hier in geding zijnde datum (verdergaande) beperkingen zijn verbonden aan appellants maag- en darmklachten. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet tot het gelasten van een medisch deskundigenonderzoek, als namens appellant is verzocht.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het herzieningsbesluit ingevolge de WAO overweegt de Raad als volgt.
Aan de schatting per 30 juli 2002 liggen ten grondslag de functies jr. medewerker debiteuren onder fb-code 3396, modinette 4 (stikster) onder fb-code 7952 en verkooptelefonist onder fb-code 4722.

In verband met de door appellant geuite grief dat de functie verkooptelefonist op de datum in geding (beduidend) langer dan 18 maanden geleden was geactualiseerd, heeft gedaagde in hoger beroep nadere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de eerder via het Functie Informatie Systeem (FIS) geselecteerde functie verkooptelefonist met een voldoende actuele datum is opgenomen in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
Nu uit de door gedaagde overgelegde gegevens is gebleken dat het functienummer van de functie verkooptelefonist in het FIS overeenkomt met het functienummer in het CBBS en dat het inhoudelijk om dezelfde functie gaat, valt niet in te zien dat het enig verschil zou maken of de actualiteitswaarde wordt aangetoond aan de hand van het FIS of het CBBS. Gedaagde heeft dan ook naar ’s Raads oordeel de actualiteitswaarde van de functie verkooptelefonist op de hier in geding zijnde datum voldoende aangetoond.

In de functie verkooptelefonist wordt naast enkele jaren basisonderwijs een goede taalbeheersing gevraagd. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet over de in die functie verlangde goede taalbeheersing beschikt. Gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige heeft terzake aangegeven dat de eis van een goede taalbeheersing uiteraard op het opleidingsniveau van enige jaren basisonderwijs ziet. Aangezien appellant een hoger opleidingsniveau heeft (niveau 3) moet het ervoor worden gehouden dat hij het gestelde opleidingsniveau heeft.
De Raad kan zich niet verenigen met de door gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige hiervoor weergegeven toelichting. De Raad is van oordeel dat de eis van een goede taalbeheersing een zelfstandige eis vormt die door de werkgever aan deze functie wordt gesteld naast het gevolgd hebben van enige jaren basisonderwijs. De gegevens van arbeidskundige aard met betrekking tot deze functie wijzen uit dat het in hoofdzaak gaat om telefonische contacten met bekende en potentiële adverteerders, zodat een goede mondelinge taalbeheersing noodzakelijk is. Gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 9 oktober 2002 heeft weergegeven dat appellant wat binnensmonds spreekt en in het verslag van de hoorzitting is vermeld dat de bezwaarverzekeringsarts appellant regelmatig heeft verzocht om herhaling van hetgeen hij zegt, bestaat er bij de Raad zodanig grote twijfel of appellant voldoende gekwalificeerd is voor de functie van verkooptelefonist dat deze functie niet geschikt is te achten.

De aan de schatting ten grondslag gelegde, met behulp van het FIS geselecteerde, functie jr. medewerker debiteuren heeft als actualisatiedatum 31 mei 2001. Onder de in hoger beroep door gedaagde overgelegde nadere arbeidskundige gegevens bevindt zich een recente(re), in het CBBS gehistoriseerde, versie van hetzelfde functienummer nog van vóór de hier in geding zijnde datum van 30 juli 2002, namelijk een versie van 18 mei 2002.
De Raad is van oordeel dat uitgegaan moet worden van de aan die nieuwere versie verbonden eisen nu niet valt in te zien dat, indien het FIS zou hebben voortbestaan en de functie in dat systeem zou zijn geactualiseerd, in het FIS niet ook de aan de in het CBBS aan dit zelfde functienummer verbonden eisen zouden zijn opgenomen. De Raad overweegt vervolgens dat in deze actuelere versie van de functie jr. medewerker debiteuren, als opleidingseis wordt gesteld een MAVO-diploma niveau D of een VMBO-diploma niveau D administratieve richting terwijl appellant, blijkens het arbeidskundig rapport van 29 mei 2002, beschikt over een diploma LTS-schilderen. Nu appellant niet over het vereiste diploma beschikt kan de functie jr. medewerker debiteuren niet aan de herziening van appellants WAO-uitkering ingaande 30 juli 2002 ten grondslag worden gelegd.

Het voorgaande betekent dat onvoldoende functies resteren, zodat het besluit van 30 oktober 2002 met betrekking tot appellants rechten ingevolge de WAO is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder a, van het ten tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307).

Hetgeen hiervoor ten aanzien van de beslissing betreffende de herziening van de uitkering ingevolge de WAO is overwogen, leidt ertoe dat de grondslag is ontvallen aan het besluit tot intrekking van de uitkering ingevolge de TW, zodat het besluit van 30 oktober 2002 in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking komt.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 30 oktober 2002 niet in stand kunnen blijven en dat gedaagde opnieuw moet besluiten ten aanzien van de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient gedaagde tevens te beslissen over de vergoeding van wettelijke rente.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op eveneens € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 30 oktober 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op de bezwaren van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 116,- (€ 29,- + € 87,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x