Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV5748
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling WAO-dagloon. Dient de CAO-toeslag in aanmerking te worden genomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6506 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te [woonplaats], hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 december 2003, kenmerk 03/856.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 4 juni 2004 en 12 december 2005 is het hoger beroep nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2006. Namens appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens gedaagde zijn verschenen F.P.L. Smeets en mr. R.G. Willems-Cremers, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant werkte laatstelijk bij [naam BV] BV te [vestigingsplaats]. Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft gedaagde met ingang van 12 september 2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 215,38. In dit besluit heeft appellant berust.
Bij besluit van 5 februari 2002 heeft gedaagde ingaande 12 maart 2002 het dagloon van de WAO-vervolguitkering vastgesteld op € 87,67. Het bezwaar tegen dat besluit is bij besluit van 15 mei 2002 ongegrond verklaard en de rechtbank Maastricht heeft het beroep tegen dat besluit bij uitspraak van 21 januari 2003 ongegrond verklaard. Ook daarin heeft appellant berust.

Bij brief van 1 mei 2002 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij onder meer is aangevoerd dat bij de vaststelling van het WAO-(vervolg)dagloon ten onrechte geen rekening is gehouden met de CAO-toeslag.

Bij besluit van 11 december 2002 heeft gedaagde het WAO-dagloon van appellant per 11 september 2000 verhoogd tot € 99,35. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de CAO-toeslag. Bij het bestreden besluit van 8 mei 2003 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 1 mei 2002 is gedaagde teruggekomen van het besluit van 18 oktober 2000.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.

Gedaagde heeft zich ter zitting van de Raad primair op het standpunt gesteld dat een CAO-toeslag een voorschot betrof op een al wel overeengekomen maar nog niet geëffectueerde verhoging van het CAO-loon. Volgens gedaagde heeft dat tot gevolg dat een CAO-toeslag die in het refertejaar werd ontvangen (vrijwel) altijd is verdisconteerd in het loon op de ingangsdatum van de WAO-uitkering, waarvan werd uitgegaan bij de dagloonvaststelling. De Raad kan dit standpunt niet volgen. Uit de Raad ter beschikking staande gegevens is niet aannemelijk geworden dat een CAO-toeslag een relatie had met een op een later tijdsip geëffectueerde verhoging van het CAO-loon of de hoogte van het loon op het moment van betaling van de toeslag.

Subsidiair heeft gedaagde betoogd dat een CAO-toeslag als een eenmalige uitkering moet worden aangemerkt. Gelet op alle beschikbare gegevens onderschrijft de Raad dat standpunt.
Dat heeft echter tot gevolg dat, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onder c, in combinatie met artikel 1, derde lid onder d, van de Dagloonregelen WAO, een CAO-toeslag slechts kan worden meegenomen bij dagloonvaststellingen die betrekking hebben op WAO-uitkeringen die vóór 24 maart 1994 zijn ingegaan. Nu de WAO-uitkering van appellant nadien is ingegaan, staan de hiervoor weergegeven bepalingen van de Dagloonregelen WAO eraan in de weg dat de CAO-toeslag die appellant in periode 11 van 1998 heeft ontvangen, wordt meegenomen bij de vaststelling van zijn WAO-dagloon.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x