Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV6121
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Het verzet is ongegrond.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1769 WAO




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats] (Marokko), opposant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Opposant heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 28 december 2004, kenmerk AWB 03/4560 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak.

Bij uitspraak van 8 juli 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het hoger beroepschrift niet binnen de daartoe geldende termijn bij de Raad is ingediend.

Tegen deze uitspraak heeft opposant op 1 augustus 2005 een verzetschrift ingediend.
Bij brieven van 25 augustus 2005 en 1 oktober 2005 heeft opposant de gronden van het verzet ingediend respectievelijk aangevuld.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 januari 2006, waar beide partijen - geopposeerde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 8 juli 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

In het verzetschrift heeft opposant wederom aangevoerd dat de verzending van post naar Marokko lang duurt en dat hij van mening is dat zijn beroepschrift binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend.

Hetgeen door opposant in verzet is aangevoerd, is in feite een herhaling van hetgeen opposant reeds eerder heeft gesteld en vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om te komen tot een ander oordeel dan neergelegd in zijn uitspraak van 8 juli 2005.

Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x