Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV7526
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting van de WAO-uitkering met toepassing van het CBBS. Motivering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/544 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 15 december 2003 tussen partijen gegeven uitspraak,
nummer 03/559 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 2 november 2005, met als bijlagen een rapport van 25 oktober 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis, de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (KFML) van appellante, een transponeringstabel, de functiebeschrijvingen en de arbeidsmogelijkhedenlijst, heeft gedaagde een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Op 13 december 2005 en op 30 december 2005 heeft Frerix nadere stukken ingezonden en wel twee medische verklaringen van psychiater F. Kaya van 11 september 2005 en van 29 december 2005.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 januari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde Frerix en de tolk H. van der Heijde. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Hofmans, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was werkzaam als inpakster toen zij op 4 juni 1999 uitviel met psychosomatische klachten. In aansluiting op de daarvoor geldende wachttijd ontving appellante vanaf 2 juni 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In verband met de eerstejaars herbeoordeling heeft verzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans een onderzoek laten uitvoeren door psychiater C.J.F. Kemperman die op 21 juni 2002 heeft gerapporteerd en die appellante geschikt achtte voor arbeid in niet stressbelastende functies overeenkomstig een door hem bijgevoegd beperkingenprofiel. Verzekeringsarts Hofmans heeft naar aanleiding hiervan de voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 6 augustus 2002. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige M.C.H.M. Rosenboom functies geselecteerd. In het door Rosenboom op 27 augustus 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op minder dan 15% moet worden gesteld.
Bij besluit van 30 augustus 2002 heeft gedaagde, voor zover hier van belang, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 oktober 2002 ingetrokken, onder de overweging dat appellante per 30 augustus 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.N. Verheijen op 4 februari 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat de arbeidsmogelijkheden eenvoudige gestructureerde functies zijn die voldoen aan de eisen die gesteld zijn door de psychiater en verzekeringsarts. Volgens Verheijen is het oordeel over de beperkingen en mogelijkheden goed onderbouwd en is er onvoldoende grond om terug te komen op het medische oordeel.
Bij besluit van 6 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

In eerste aanleg heeft appellante notities op een door de gemachtigde van appellante voorgelegde vraagstelling van haar huisarts F.S. Zwart overgelegd, een brief van 16 april 2003 van revalidatiearts H.S. Beeker en een brief van haar dochter [naam dochter] en aangevoerd dat zij in verband met haar gezondheidsproblemen tot geen enkele arbeid in staat is.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde beperkingen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellante met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat zij niet als arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat haar beperkingen niet overeenstemmen met het in de FML opgestelde belastbaarheidspatroon. Appellante is - onder verwijzing naar brieven van 11 september 2005 en 29 december 2005 van haar behandelend psychiater Kaya en de notities van haar huisarts - van mening volledig arbeidsongeschikt te zijn. Tevens heeft appellante per geduide functie specifiek aangegeven om welke redenen zij deze niet kan uitoefenen. Ter zitting heeft appellante nog gewezen op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Verheijen in zijn rapport van 4 februari 2003 geaccordeerde FML van appellante, zoals in de primaire fase van de in geding zijnde besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Hofmans, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat Verheijen blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante onder andere kennis droeg van de brieven van psychiater Kaya van 6 juni 2001 en 31 december 2001 en van de rapportage die de psychiater Kemperman op 21 juni 2002 heeft uitgebracht en deze in zijn beoordeling heeft meegewogen.

De namens appellante in hoger beroep overgelegde medische verklaringen van de psychiater Kaya hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Hierbij merkt de Raad tevens op dat uit deze verklaringen niet blijkt dat zij betrekking hebben op de datum in geding.

Appellante heeft gesteld dat zij op basis van haar opleiding en ervaring niet kan voldoen aan de eisen die aan de geselecteerde functies zijn gesteld. Haar inziens hebben de arbeidsdeskundigen het opleidingsniveau ten onrechte te hoog ingeschat.
Naar het oordeel van de Raad treft deze grief geen doel. Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat voor de geselecteerde functies als hoogste opleidingsniveau niveau 1 is gesteld en als hoogste opleidingseis basisonderwijs. Opleidingsniveau 1 houdt in dat geen eisen worden gesteld aan rekenen, lezen of schrijven. In de functie kan wel telwerk en leeswerk op de laagste niveaus voorkomen. Gelet op de omstandigheid dat appellante een jaar basisschool heeft gevolgd en rekening houdend met haar jarenlange werkervaring in het verleden als productiemedewerkster en inpakster, kan zij geacht worden te functioneren op opleidingsniveau 1.
De overige grieven van appellante met betrekking tot de geduide functies treffen geen doel aangezien deze grieven niet nader zijn onderbouwd en deels gebaseerd zijn op een onjuiste feitelijke grondslag. De Raad wijst er in dit verband op dat appellante niet beperkt is op de punten tempo, lawaai en repeterende handelingen.

De aan de schatting ten grondslag gelegde functies kunnen naar het oordeel van de Raad als passend worden aangemerkt. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%, zoals neergelegd in het bestreden besluit.

De Raad heeft hierbij in het bijzonder gelet op de nadere motivering die bij het in rubriek I vermelde arbeidskundig rapport van 25 oktober 2005 vanwege gedaagde is verstrekt, in reactie op het verzoek van de Raad aan gedaagde om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4716) met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen.

Nu evenwel eerst bij die nadere motivering een adequate en inzichtelijke onderbouwing is gegeven waarom de geduide functies passend zijn te achten - de Raad wijst erop dat de primaire arbeidsdeskundige in diens rapport van 27 augustus 2002 heeft volstaan met de enkele opmerking dat hij op arbeidskundige gronden van mening is dat er voor appellante voldoende functies op de vrije arbeidsmarkt te duiden zijn - ziet de Raad onder verwijzing naar zijn hiervoor vermelde uitspraken van 9 november 2004 aanleiding om het bestreden besluit, zij het met instandlating van de rechtsgevolgen daarvan, te vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 1.288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 118,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x