Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV7767
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Korting op de WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering van WAO-uitkering. Boete wegens verzwegen inkomsten. Het bezwaar is niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Is de afhandelingsduur in strijd met de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM?
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/5639 WAO en 05/5640 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 4 augustus 2005 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nrs. AWB 04/5649 en 04/5748 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Van Andel, voornoemd, bij brief van 26 januari 2006 heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


Appellant ontvangt sedert 2 november 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De afdeling Bijzonder Onderzoek heeft een onderzoek naar de gedragingen van appellant tijdens het ontvangen van de uitkering ingesteld, omdat uit de gegevensbestanden van gedaagde is gebleken dat appellant vanaf 13 maart 2002 een dienstverband heeft bij [werkgeefster]. In het kader van dat onderzoek heeft op 16 juli 2003 een verhoor van appellant plaats gevonden. De conclusie van dit onderzoek luidt dat appellant, terwijl hij WAO-uitkering ontving, in de periode van 13 maart 2002 tot en met 30 april 2003 werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft ontvangen, zonder daarvan melding bij gedaagde te maken. Na nader onderzoek van de betreffende inkomsten heeft gedaagde bij besluit van 29 juni 2004 bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 maart 2002 moet worden uitbetaald, als ware appellant voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt. Bij besluit van 30 juni 2004 is besloten de korting op de WAO-uitkering per 1 mei 2003 te laten vervallen omdat appellant per laatstgenoemde datum geen inkomsten uit arbeid meer heeft die leiden tot korting. Gedaagde heeft bij besluit van 15 juli 2004 de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 13 maart 2002 tot en met 30 april 2003 ten bedrage van 4.513,79 van appellant teruggevorderd en bij besluit van 28 juli 2004 een boete opgelegd van 462,00 in verband met het verzwijgen van werkzaamheden.

Appellant heeft bij brief gedateerd op 15 augustus 2004 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 29 juni, 15 juli en 28 juli 2004. Dit bezwaarschrift is op 25 augustus 2004 door gedaagde ontvangen en blijkens het poststempel op 23 augustus 2004 ter post bezorgd.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2004 bij besluit van 1 oktober 2004 (besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor gestelde bezwaartermijn is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De bezwaren tegen de besluiten van 15 en 28 juli 2004 heeft gedaagde bij besluit van 27 oktober 2004 (besluit 2) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep naar voren gebrachte argumenten tegen de uitspraak van de rechtbank overweegt de Raad als volgt.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 juni 2004 het volgende overwogen.
"Anders dan door eiser is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het gestelde telefoongesprek van 16 juli 2004, waarin eiser aan een medewerkster van verweerder zou hebben aangegeven dat hij het niet eens was met het besluit van 29 juni 2004, niet kan worden aangemerkt als bezwaarschrift. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat blijkens de uitspraak van de CRvB van 9 december 2003 niet het loketbezoek, maar het loketrapport als bezwaarschrift is aangemerkt. In het dossier is geen telefoonrapport aangetroffen van een gesprek op 16 april 2004, zodat niet kan worden gesproken van een bezwaarschrift. Het risico voor het niet opmaken van een dergelijke als bezwaarschrift aan te merken telefoonnotitie, ligt naar het oordeel van de rechtbank bij eiser.

Het schrijven van 15 augustus 2004 kan naar het oordeel van de rechtbank wel als bezwaarschrift worden aangemerkt. Dit bezwaarschrift is op 25 augustus 2004 per post door verweerder ontvangen. De bezwaartermijn is aldus overschreden.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen dat redelijkerwijs niet gezegd kan worden dat eiser ter zake van de overschrijding van de bezwaartermijn niet in verzuim is geweest."

Appellant betwist niet dat zijn op 15 augustus 2004 gedateerde bezwaarschrift niet is ingediend binnen de termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit van 29 juni 2004. Appellant stelt echter dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het telefoongesprek niet als bezwaar aangemerkt kan worden. Appellant vindt het niet terecht dat de rechtbank het risico van het niet opmaken van een telefoonrapport bij hem heeft gelegd, omdat hij niet kan controleren of een dergelijk rapport wordt opgemaakt. Appellant wijst er op dat hij wel alle benodigde gegevens heeft doorgegeven en neemt het standpunt in dat bij een bezwaarschrift dat niet voldoet aan de wettelijke eisen, waaronder volgens appellant ook een mondeling bezwaar begrepen dient te worden, gelegenheid tot herstel van vormverzuim gegeven moet worden.

De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven. Ingevolge artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Het bezwaarschrift dient ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Awb te worden ondertekend en een aantal in datzelfde artikellid genoemde elementen te bevatten. De tekst van deze artikelen is duidelijk en betekent dat het standpunt van appellant dat onder een bezwaarschrift tevens een mondeling bezwaar begrepen dient te worden geen steun in de Awb vindt. De Raad heeft in een uitspraak van 9 december 2003 (LJN AO0729) uitgesproken dat een loketrapport, waarin de mededeling is vastgelegd dat een betrokkene bezwaar maakt, kan worden aangemerkt als een geschrift waarin het mondeling kenbaar gemaakte bezwaar van betrokkene schriftelijk is vastgelegd. Blijkens de overwegingen in die uitspraak heeft de Raad daarbij tevens van belang geacht dat functionarissen van het Uwv betrokkenen behulpzaam zijn, indien zij tijdens een loketgesprek aangeven het niet eens te zijn met een ten aanzien van hen genomen besluit, kenbaar maken daartegen bezwaar te willen maken, maar niet goed weten hoe zij dat moeten doen. Uit deze uitspraak kan evenmin de conclusie worden getrokken dat de Raad onder een bezwaarschrift ook een mondeling bezwaar begrijpt.

De Raad is concluderend van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 terecht ongegrond heeft verklaard en zal de aangevallen uitspraak in zoverre bevestigen.

Appellant heeft in hoger beroep met betrekking tot de terugvordering naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de onaantastbaarheid van het moederbesluit. Volgens appellant zal het moederbesluit in het kader van de terugvordering nog getoetst dienen te worden, omdat eerst bij het vaststaan van de rechtmatigheid van dat besluit sprake kan zijn van de onverschuldigdheid van de in het terugvorderingsbesluit vermelde betalingen en het bestaan van gronden voor een besluit tot boeteoplegging.

Het door appellant genoemde moederbesluit betreft het besluit van 29 juni 2004, waarbij gedaagde heeft beslist de WAO-uitkering over de periode 13 maart 2002 tot en met 30 april 2003 niet volledig uit te betalen. Met de bevestiging van de aangevallen uitspraak voorzover het besluit 1 betreft, staat vast dat gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2004 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee staat tevens vast dat het besluit van 29 juni 2004 rechtens onaantastbaar is. Van een toetsing van de rechtmatigheid van dat besluit kan dan ook geen sprake zijn. De grief van appellant dat de terugvorderingsbeslissing is gebaseerd op een onrechtmatig herzieningsbesluit en de ter adstruering van deze grief naar voren gebrachte argumenten laat de Raad derhalve verder onbesproken.

Nu vaststaat dat gedaagde over de periode van 13 maart 2002 tot en 30 april 2003 onverschuldigd WAO-uitkering heeft betaald, is gedaagde verplicht tot terugvordering van deze onverschuldigd betaalde uitkering. Van het bestaan van een dringende reden om van terugvordering af te zien is gedaagde niet gebleken. De rechtbank heeft dit standpunt geaccepteerd en in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad geen aanleiding kunnen vinden dit oordeel niet terecht te vinden.

Ten aanzien van de opgelegde boete overweegt de Raad dat hij zich in grote lijnen kan vinden in de overwegingen van de rechtbank in dit verband. Naar het oordeel van de Raad is bij het opleggen van een boete niet het formulier van 12 februari 2002, maar het formulier van 20 februari 2003 relevant. Appellant wordt immers een boete opgelegd vanwege het niet opgeven van werkzaamheden vanaf 13 maart 2002. In hoger beroep heeft appellant geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de boeteoplegging. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak ook op dit onderdeel te bevestigen.

De Raad overweegt voorts dat ook de grief dat gehandeld is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen doel treft. Zelfs indien zou worden uitgegaan van de datum waarop appellant is gehoord door medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek, dan heeft de totale behandelingsduur inclusief bezwaar en twee rechterlijke instanties 2 jaar, 8 maanden en 7 dagen bedragen, een termijn die niet kan worden gekenschetst als een onredelijke termijn.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x