Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV7846
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Is de medische en arbeidskundige grondslag voldoende? De motivering is laat in de procedure gegeven. Vernietiging van het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek, met instandlating van de rechtsgevolgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1751 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 9 maart 2004, onder reg.nr. SBR 03/597, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 13 april 2004 zijn namens appellant nadere stukken overgelegd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft gedaagde een rapport van de arbeidsdeskundige A. de Zoete van 26 mei 2005 in het geding gebracht.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 1 december 2005 een nader commentaar van de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans van 30 november 2005 ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was voltijds werkzaam als medewerker in een paprikakwekerij toen hij op 25 juli 2001 uitviel wegens knieklachten. Vervolgens heeft hij een uitkering ontvangen in het kader van de Ziektewet. Bij het einde van de wachttijd is hij in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 24 mei 2002 onderzocht door verzekeringsarts H. Konieczek. Deze komt tot de conclusie dat er beperkingen gelden voor fysieke belasting. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan en met behulp van het zogenaamde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige A. de Zoete blijkens het rapport van 29 mei 2002 een vijftal functies geselecteerd en uitgaande van de drie hoogst verloonde functies het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 12,03%. Omdat appellant sedert 27 mei 2002 zijn werk in de maatgevende functie volledig heeft hervat, is volgens de arbeidsdeskundige geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 5 juni 2002 is aan appellant meegedeeld dat hij geen aanspraak kan maken op een WAO-uitkering omdat hij geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de WAO.

Vervolgens heeft appellant zich op 16 juni 2002 opnieuw ziek gemeld wegens een uitgebreid klachtenpatroon. Op 23 augustus 2002 vond er door verzekeringsarts M.F.L. Smol een heronderzoek plaats opnieuw in het kader van de beoordeling per einde wachttijd. De verzekeringsarts Smol heeft informatie ingewonnen bij de huisarts en in de verkregen medische gegevens geen nieuwe gezichtspunten gezien en appellant geschikt geacht conform het eerder door de verzekeringsarts Konieczek opgestelde FML. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 15 oktober 2002 besloten aan appellant met ingang van 14 augustus 2002 geen uitkering ingevolge de WAO toe te kennen, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts P. Hulleman onderschrijft in haar rapport van 14 januari 2003 de conclusie van de verzekeringsarts Smol. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde bij besluit van 5 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsartsen en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te hebben gevonden de bevindingen en de conclusies voor onjuist te houden nu aan het oordeel van de verzekeringsarts Smol mede informatie van de huisarts en de behandelend sector ten grondslag ligt.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat de functies van schilder/spuiter en operator papier, gelet op de aangenomen beperking van appellant ten aanzien van het hanteren van zware lasten en het feit dat de arbeidsdeskundige ten aanzien van deze aspecten geen nadere toelichting heeft gegeven, niet zonder meer in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant, zodat deze functies dienen te vervallen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant blijft derhalve minder dan 15%.

Namens appellant is in hoger beroep onder verwijzing naar het gestelde in bezwaar - kort gezegd - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten, op grond waarvan appellant niet in staat is tot het verrichten van enige werkzaamheden.

De Raad oordeelt als volgt.

Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de verzekeringsartsen Konieczek en Smol en de bezwaarverzekeringsarts Hulleman. Naar het oordeel van de Raad is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest en is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en vastgestelde beperkingen van appellant. Uit overweging van zorgvuldigheid heeft de verzekeringsarts Smol informatie ingewonnen bij de huisarts. De huisarts heeft als bijlagen bij zijn schrijven van 5 september 2002 nadere gegevens van KNO-arts Disch d.d. 23 juli 2002, reumatoloog Ter Borg d.d. 30 juni 2002, orthopedisch chirurg Jaspers d.d. 15 mei 2002 en gastenteroloog drs. Stadhouders d.d. 16 juli 2002 overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts Hulleman heeft appellants belastbaarheid in de bezwaarfase opnieuw bezien en heeft de door de verzekeringsarts vastgestelde fysieke beperkingen onderschreven. Mede gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsartsen als onvoldoende en onzorgvuldig moeten worden gekenschetst. In hoger beroep stelt appellant dat hij zich heeft aangemeld bij het eerste lijn team van het Regionaal Psychiatrisch Nieuwegein en dat hij daar onder behandeling is en dat met deze omstandigheden geen rekening is gehouden. De Raad verwijst in dit verband naar het verweerschrift van gedaagde in hoger beroep. Daarin wordt terecht opgemerkt dat de psychische klachten pas in augustus 2003, ruim na de datum in geding, te weten 14 augustus 2002, een rol zijn gaan spelen. Hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een andersluidend oordeel.
Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad vast dat door de arbeidsdeskundige A. de Zoete in hoger beroep een nadere deugdelijke toelichting is gegeven op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies. Voorts stelt de Raad vast dat in hoger beroep, bij brief van 1 december 2005, in antwoord op een brief van de Raad, door de bezwaararbeidsdeskundige Havermans in het bijzonder aandacht is besteed aan de niet - matchende punten lokalisatie en specifieke voorwaarden in arbeid. Daarmee zijn naar het oordeel van de Raad de ogenschijnlijke overschrijdingen van de belastbaarheid van de in beroep overgebleven functies uiteindelijk voldoende en adequaat gemotiveerd.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit vr 1 juli 2005 is genomen en dat in hoger beroep uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte motivering is gegeven. Gelet op s-Raads uit zijn uitspraken van 9 november 2004 (USZ 2004,353) blijkende oordeel met betrekking tot het CBBS, leidt zulks tot de conclusie dat in dit geval, gezien inhoud en reikwijdte van die nadere motivering het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Thans is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de beslissing als gegeven in rubriek III.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden in eerste aanleg begroot op 322,-- voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op 322,-- eveneens voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 133,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x