Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV8861
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Betrokkene is geschikt voor de maatmanarbeid. Het is geen beletsel dat arbeid niet voorhanden is tengevolge van ontslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4804 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 19 augustus 2003 tussen partijen onder nummer AWB 02/4914 WAO gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden en schriftelijk gereageerd op de door appellante in het geding gebrachte nadere medische informatie.

Tevens heeft gedaagde onder verwijzing naar een nader arbeidskundig rapport met bijlagen geantwoord op een vanwege de Raad gestelde vraag.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. van Engel, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg te Utrecht, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 6 november 2002, waarbij gedaagde heeft gehandhaafd zijn besluit van 15 november 2001 tot weigering van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante per 12 augustus 2001. Deze weigering berust op de overweging dat appellante na ommekomst van de wettelijke wachttijd op 12 augustus 2001 geen relevant verlies aan verdienvermogen heeft geleden, doordat zij ondanks de voor haar bestaande, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen in staat wordt geacht haar werkzaamheden als accountmanager bij de Rijksvoorlichtingsdienst gedurende 27 uren per week te verrichten.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Daartoe heeft de Raad het volgende overwogen

Op 8 augustus 2000 heeft appellante zich ziek gemeld na een miskraam. Nadien heeft zij haar werk gedeeltelijk hervat. Vermoeidheids- en gewrichtsklachten hebben aan haar volledige werkhervatting in de weg gestaan. Het summiere verslag van het op 18 juli 2001 gehouden medisch onderzoek vermeldt onder het kopje “observatie en psychisch onderzoek” “geen bijzonderheden”. De verzekeringsarts is van oordeel dat appellante wegens ziekte of gebrek niet geschikt is tot het verrichten van haar eigen werk. Wel zou zij in staat zijn tot het verrichten van andere, geschikte werkzaamheden. Onder de gedingstukken bevindt zich een deel van het door de verzekeringarts opgestelde overzicht van de voor appellante geldende belastbaarheid; het op de psychische belastbaarheid betrekking hebbende deel ontbreekt. De verzekeringsarts heeft onder meer aangegeven dat appellante beperkingen ondervindt bij het lopen.

De arbeidsdeskundige is blijkens zijn rapport van 17 oktober 2001 van oordeel dat appellante (toch) geschikt is tot het verrichten van haar eigen werk. Hij is er daarbij van uit gegaan dat in de functie van accountmanager bij de Rijksvoorlichtingsdienst slechts korte afstanden lopend behoeven te worden afgelegd. De arbeidsdeskundige heeft onderkend dat de werkzaamheden in die functie vergen dat de accountmanager zich naar opdrachtgevers (andere overheidsinstellingen) begeeft, maar hij is er van uitgegaan dat het niet nodig is dat appellante langer loopt dan zij aan kan en dat er altijd parkeergelegenheid is.

In het aanvullend bezwaarschrift is onder meer gesteld dat de gezondheid van appellante ten tijde van belang mede is verslechterd in verband met het overlijden van haar zoontje na een ziekbed van elf maanden. Ter zitting heeft appellante nader toegelicht dat het ziekbed en overlijden van haar zoontje aan de ziekmelding per 8 augustus 2000 is vooraf gegaan. Zij heeft met uiterste wilskracht haar werkzaamheden als accountmanager gedurende een beperkt aantal uren per dag hervat, maar heeft die werkzaamheden slechts met de grootste moeite en zonder optimale arbeidsprestatie weten vol te houden.

De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad onder deze omstandigheden niet kunnen volstaan met de bestudering van de in het dossier aanwezige stukken en het aannemen van een verdergaande beperking op het aspect staan, maar had gericht onderzoek moeten doen naar de psychische belastbaarheid van appellante op het hier van belang zijnde tijdstip. Voorts is naar het oordeel van de Raad door gedaagde onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat, in weerwil van het oordeel van de verzekeringsarts, de door appellante in haar werk te overbruggen loopafstanden voor haar ondanks de voor haar bestaande beperkingen ten aanzien van lopen en staan, geen belemmeringen opleveren. Dit klemt te meer, nu de Raad uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige niet kan opmaken of hij een volledig beeld van de belastende aspecten in het eigen werk heeft gehad, waar de bezwaararbeidsdeskundige is uitgegaan van een “zittende functie” en heeft aangegeven dat, naar de Raad begrijpt, staan en lopen in het eigen werk niet voorkomen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. Gedaagde zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad voegt nog het volgende toe.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de vooronderstelling rechtvaardigt dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit is anders indien hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten (bijvoorbeeld CRvB 18 december 1998, USZ 1999/48). Zo een situatie doet zich voor als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is (CRvB 19 juli 1996, RSV 1997/28). Een beroep op deze rechtspraak kan de verzekerde niet baten als aan de hervatting in het eigen werk uitsluitend in de weg staat een verleend ontslag als gevolg van een eigen strafbaar handelen (CRvB 5 november 1997, RSV 1998/70).

In dit geval is hervatting in de oude functie niet mogelijk, doordat het dienstverband voor bepaalde tijd per 1 juni 2001 was verbroken. Voor de conclusie dat appellante een beroep op de hiervoor geschetste rechtspraak wegens haar aandeel in het ontslag niet toekomt, heeft gedaagde onvoldoende aangevoerd.

Wel is met het arbeidskundige rapport van 9 november 2005 in genoegzame mate aangetoond dat andere overheidsinstellingen vergelijkbare functies met een vergelijkbare salariëring kennen als de door appellante tot 1 juni 2001 beklede functie.
De Raad vindt aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, aan de zijde van appellante wegens de aan haar verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep, totaal € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing neemt op het door appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van 6 november 2002;
Veroordeelt gedaagde in kosten van het geding, aan de zijde van appellante begroot op € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 116,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. W.J. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x