Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV8864
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is voldoende rekening gehouden met betrokkenes beperkingen? Schatting op feitelijke verdiensten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6512 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft P.M. Sjerps, werkzaam bij LTB adviseurs en accountants, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 17 november 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. WAO 03/11), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 april 2004 is namens appellante een rapportage (met bijlagen) ingezonden. Gedaagde heeft in reactie hierop een nader commentaar van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons ingezonden, waarop namens appellante middels een commentaar van drs. C.P. Kesselaar is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2006, waar namens appellante haar partner, [partner], is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. C. Vork, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante, die laatstelijk werkzaam was als bestuifster voor 32 uur per week, is op 27 mei 1999 uitgevallen wegens klachten van fibromyalgie. Appellante heeft vervolgens bij haar eigen werkgever het werk hervat in 50% aangepaste werkzaamheden. Per einde wachttijd heeft op basis van deze verdiensten een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) plaatsgevonden, waarna appellante met ingang van 25 mei 2000 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

Nadat appellante op 15 augustus 2001 is bevallen, heeft zij zich op 28 januari 2002 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens hoofdpijn-, nek- en schouderklachten, duizeligheid, moeheid en evenwichtsstoornissen.
Verzekeringsarts M.C. Groenewoud, die appellante eerder in het kader van de einde wachttijdbeoordeling heeft onderzocht, concludeert dat geen aanspraken op uitkering ingevolge de wet Amber bestaan, omdat deze verslechtering slechts 2 à 3 weken heeft voortgeduurd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige P. Pols Paardekoper onderzoek gedaan naar appellantes aangepaste werkzaamheden en heeft na overleg met de verzekeringsarts geconcludeerd dat deze werkzaamheden voldoende afwisseling in taken en belasting hebben en passen binnen de beperkingen van het belastbaarheidspatroon welke bij de einde wachttijdbeoordeling was opgesteld. Bij besluit van 9 juli 2002 heeft gedaagde een onveranderde arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55% vastgesteld.

In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat de klachten van fibromyalgie zijn verergerd en dat de huisarts het medicijngebruik heeft aangepast. Bezwaarverzekeringsarts C.T.M. Linthorst heeft het oordeel van de primaire verzekeringsarts bevestigd, waarna stafverzekeringsarts J.J. Slagter in de namens appellante overgelegde brief van de huisarts geen nieuwe medische feiten heeft gezien om het belastbaarheidspatroon te wijzigen. Bij besluit van 22 november 2002, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens appellante zijn in beroep haar bezwaren herhaald. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

Voor wat betreft het medische gedeelte kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is uit de overgelegde informatie van de huisarts niet gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid en is in het belastbaarheidspatroon in voldoende mate rekening gehouden met de klachten van fibromyalgie. Door appellante is geen andere medische informatie in geding gebracht ter ondersteuning van haar standpunt, dat de klachten van fibromyalgie zijn verergerd. Wel is in hoger beroep een rapport “Contra expertise en Inspanningsonderzoek naar Arbeidsbelastbaarheid (CIA)” overgelegd, maar onder verwijzing naar een uitspraak van 12 augustus 2005, LJN AU1484, waarin de Raad geoordeeld heeft over de uitkomsten van een onderzoek naar de functionele beperkingen in een CIA-rapport, valt aan dit onderzoek niet te ontlenen dat daaraan medische gronden ten grondslag liggen als bedoeld in de toetsingsmaatstaf van artikel 18 van de WAO. Dat bij dit onderzoek mede gebruik is gemaakt van de uitkomsten van een medisch hulponderzoek (ECG, longfunctie- en bloedonderzoek) doet daaraan niet af. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is kunnen blijken van objectief-medisch aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de voor appellante aangenomen beperkingen niet berusten op een voldoende draagkrachtige motivering.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting, stelt de Raad vast dat arbeidsdeskundige Pols Paardekoper in aansluiting op het geneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts, onderzoek heeft gedaan naar de aangepaste werkzaamheden van appellante. Deze kunnen worden omschreven als meewerkende voorvrouw met afwisselende werkzaamheden, waarin zij nog steeds passende deeltaken van het oorspronkelijk werk verricht maar tevens belast is met de administratie, begeleiding van nieuwe medewerkers en coördinatie. Blijkens de geneeskundige rapportage van 10 januari 2002 heeft appellante na haar zwangerschapsverlof, per 1 december 2001, deze aangepaste werkzaamheden hervat voor vier ochtenden per week waarvan de donderdagochtend als vrije dag werd opgenomen. Naar het oordeel van de Raad, heeft gedaagde geen blijk gegeven van een onjuiste toepassing van een schatting op feitelijke verdiensten. Nu appellantes maatmanuren voor haar functie van bestuifster 32 uur per week bedroegen en appellante feitelijk vier halve dagen van vier uur = 16 uur werkzaam was, kan gesteld worden dat appellante met deze werkzaamheden de helft van het voorheen gebruikelijke loon verdiende en dus voor 50% arbeidsongeschikt is gebleven, waarmee indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% terecht is vastgesteld.

Uit het vorenstaande volgt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x