Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV9085
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is de toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht al dan niet toelaatbaar?
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/4568 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 7 juli 2003 heeft gedaagde besloten dat de aan appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 april 2000 onder toepassing van artikel 44 van die wet wordt uitbetaald als ware hij 65 tot 80% arbeidsongeschikt.

Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2003 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juni 2005 heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep van appellant tegen het besluit van 5 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op door zijn gemachtigde mr. A. Nijboer, werkzaam bij de ACP, bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben diverse schriftelijke reacties ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nijboer. Zoals tevoren was aangekondigd, is gedaagde niet verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Naar zijn mening heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat gedaagde op grond van artikel 36a, eerste lid, onder b van de WAO verplicht was tot herziening van zijn WAO-uitkering per 1 april 2000. Appellant heeft immers, zo stelt hij, wel altijd melding gemaakt van zijn neveninkomsten.

Dienaangaande overweegt de Raad dat de rechtbank de aangevallen uitspraak ten onrechte mede heeft doen steunen op de overweging dat gedaagde op grond van artikel 36a, eerste lid, onder b van de WAO tot herziening diende over te gaan. Dat artikel is in dit geding namelijk niet aan de orde. De reikwijdte van het bestreden besluit is beperkt tot de toepassing van artikel 44 van de WAO.

Appellants stelling dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden aangezien hij altijd volledig opgave heeft gedaan van zijn politieke activiteiten en het daarmee verdiende inkomen is in dit geding evenmin relevant. De schending van de inlichtingenplicht maakte deel uit van het schorsingsbesluit en de daarop gevolgde bezwaar- en beroepsprocedure, maar speelt in het onderhavige geding geen enkele rol, nu het bestreden besluit, zoals gememoreerd, is beperkt tot de toepassing van artikel 44 van de WAO.

Toepassing van het Besluit herziening en intrekking uitkeringen is in dit - op artikel 44 van de WAO gebaseerde - geding evenmin aan de orde. De Raad verwijst in dit verband kortheidshalve naar zijn uitspraak van 25 juni 2004, LJN AQ1958.

Aan de orde is thans alleen de vraag of de toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht al dan niet toelaatbaar is.

Dienaangaande overweegt de Raad, zoals hij ook in zijn vorenbedoelde uitspraak heeft gedaan, dat het beginsel van de rechtszekerheid volgens zijn vaste jurisprudentie vergt dat de toepassing van de anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht op reeds uitbetaalde uitkeringen niet kan plaatsvinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien betrokkene wist, dan wel redelijkerwijs kon weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor. Alleen al gelet op de hoogte van de vergoeding die appellant per 19 april 2000 ging genieten als lid van provinciale staten van Fryslân in relatie tot zijn maatmaninkomen, moet appellant geacht worden te hebben geweten dat die inkomsten niet zonder invloed op zijn uitkering konden blijven. De omstandigheid dat appellant een deel van zijn inkomsten aan de partij heeft afgedragen en een ander deel in het kader van zijn werkzaamheden als lid van provinciale staten heeft uitgegeven, is voor de toepassing van de WAO van generlei betekenis. Het gaat bij artikel 44 van de WAO om de inkomsten, niet om de uitgaven.

De Raad komt aldus tot dezelfde conclusie als de rechtbank, zodat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.M.W. Kaldenhoven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x