Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW1617
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Juistheid van de ingeschatte gezondheidstoestand. Is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat een arbeidskundig onderzoek had moeten worden ingesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1003 WAO, 04/1004 WAO, 04/1109 WAO, 04/3675 WAO en 04/3678 WAO




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: [betrokkene]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2004, 02/1298 en 03/1663 WAO (hierna: aangevallen uitspraak 1), en op het hoger beroep van [betrokkene], wonende te Wamel,

in de gedingen tussen:

[betrokkene] (hierna: [betrokkene])

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).

[betrokkene] heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2. Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2006. [betrokkene] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.W.H. Koers, advocaat te Doesburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf, werkzaam bij het Uwv.




II. OVERWEGINGEN


[Betrokkene] is op 15 november 1993 met luchtwegklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker in een champignonkwekerij. Later zijn daar vermoeidheidsklachten bij gekomen. Sedert 14 november 1994 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die met ingang van 13 augustus 1997 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Op 8 mei 2001 heeft [betrokkene] zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv [betrokkene] bij besluit van 29 november 2001 meegedeeld dat de uitkering niet wordt herzien. Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het Uwv het door [betrokkene] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [betrokkene] beroep bij de rechtbank ingesteld.

In het kader van een andere beroepsprocedure heeft het Uwv bij een besluit op bezwaar van 16 mei 2003 aan [betrokkene] meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 14 november 1999 alsnog werd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In verband hiermee heeft het Uwv op 30 juni 2003 een nieuw besluit genomen waarbij het besluit van 17 mei 2002 werd herroepen, het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2001 gegrond werd verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd werd vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene] tegen het besluit van 17 mei 2002 niet-ontvankelijk verklaard en het - op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken - beroep tegen het nadere besluit van 30 juni 2003 gegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts laatstgenoemd besluit vernietigd met opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het nadere besluit van 30 juni 2003.

Op 4 december 2001 heeft [betrokkene] zich opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met schouderklachten. Bij besluit van 16 januari 2003 heeft het Uwv aan [betrokkene] meegedeeld dat zijn uitkering ongewijzigd werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van [betrokkene] is bij besluit van 23 juli 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene] tegen het besluit van 23 juli 2003 ongegrond verklaard.
[betrokkene] heeft tegen die uitspraak eveneens hoger beroep ingesteld.



De aangevallen uitspraak 1

In deze uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot het nadere besluit van 30 juni 2003 overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van [betrokkene] op de in geding zijnde datum onjuist heeft ingeschat. Naar haar oordeel was [betrokkene] op die datum in staat tot het verrichten van arbeid die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien het besluit van 30 juni 2003 te vernietigen omdat dit besluit naar haar oordeel onzorgvuldig is voorbereid nu ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.

[betrokkene] kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen voor zover de rechtbank daarin heeft overwogen dat het Uwv zijn gezondheidstoestand op de in geding zijnde datum juist heeft ingeschat. Hij heeft aangevoerd dat hij lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) of myalgische encephalomyelitis (ME). De hierdoor veroorzaakte ernstige vermoeidheidsklachten brengen met zich mee dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. [betrokkene] verwijst in dit verband naar de door hem in geding gebrachte medische informatie, waaronder een aantal brieven van zijn behandelend internist prof. dr. J.W.M. van der Meer. In het bijzonder wijst [betrokkene] op de brief van Van der Meer van 4 december 2003, waarin wordt gesteld dat hij niet tot gangbare arbeid in staat is, alsmede de brief van 15 juni 2005 waarin Van der Meer stelt dat de belastbaarheid van [betrokkene] in verband met CVS per 14 november 1999 zeer minimaal moet zijn geweest. Ook heeft [betrokkene] gewezen op een op zijn verzoek door psychiater C. Kok opgemaakt rapport van 21 juni 2001 en op een nadere brief van deze psychiater van 25 juni 2003, waarin deze als zijn mening geeft dat [betrokkene] op 14 november 1999 lijdende was aan ME en ten gevolge daarvan in het geheel niet in staat was tot het verrichten van arbeid. Ten slotte heeft [betrokkene] nog medische informatie van de internist prof. dr. J.H. Bolk van 21 februari 2005 in geding gebracht.

Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad als volgt.

Hoewel zulks niet met zoveel woorden naar voren komt uit de redactie van het besluit van 30 juni 2003 en evenmin blijkt uit de opsomming van de toegepaste artikelen stelt de Raad op basis van de onderliggende stukken vast dat het besluit de toepassing van artikel 39a van de WAO betreft en aldus dient te worden opgevat als een weigering om de uitkering te verhogen op grond van die bepaling met inachtneming van de wachttijd van 4 weken. De in geding zijnde datum is dus 5 juni 2001.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 augustus 2003, kenmerk 01/4649 WAO en 03/2485 WAO, in het geding tussen partijen waarin de gezondheidstoestand van [betrokkene] per 14 november 1999 in geschil was overweegt de Raad dat hetgeen de deskundigen Kok en Van der Meer hebben aangevoerd omtrent de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom en de eventuele gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] niet kan worden beschouwd als een ingevolge vaste rechtspraak van de Raad vereiste voldoende objectivering van de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] in de zin van artikel 18 van de WAO. De brieven van Van der Meer van 14 december 2003 en 15 juni 2005 wijzigen dit oordeel niet, evenmin als de informatie van prof. Bolk die overigens volstaat met de mededeling dat [betrokkene] inderdaad voldoet aan de criteria voor CVS.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van [betrokkene] op 5 juni 2001 en aan de conclusie dat er op die datum geen sprake was van een relevante wijziging in diens gezondheidstoestand. Van de zijde van [betrokkene] is geen medische informatie ingebracht op grond waarvan aannemelijk wordt dat zijn gezondheidssituatie op 5 juni 2001 als gevolg van toenemende vermoeidheid is verslechterd. Er zij op gewezen dat de informatie van prof. Bolk geen betrekking heeft op de in geding zijnde datum.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van [betrokkene] niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

Het Uwv heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat een arbeidskundig onderzoek had moeten worden ingesteld. Het Uwv heeft gewezen op de uitspraak van de Raad van 25 april 2001, gepubliceerd in RSV 2001/149, waarin is bepaald dat indien van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering geen sprake is, aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer wordt toegekomen. Nu de verzekeringsarts geen toename van de beperkingen heeft geconstateerd is er naar de mening van het Uwv terecht afgezien van arbeidskundig onderzoek.

Deze grief treft doel. Zoals de Raad in de door het Uwv genoemde uitspraak heeft overwogen volgt uit de wetsgeschiedenis dat het toepassingsbereik van artikel 39a WAO is beperkt tot die situaties waarin sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de betrokkene een WAO-uitkering ontvangt. Eerst indien een toename van medische beperkingen uit diezelfde ziekteoorzaak is vastgesteld dient de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen, zulks ter beoordeling van de vraag of en zo ja in welke omvang de toename van beperkingen ook leidt tot een toename van de arbeidsongeschiktheid. Indien van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering geen sprake is, wordt derhalve aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen.

In het onderhavige geval heeft het Uwv, zoals uit het voorgaande blijkt, terecht vastgesteld dat van een toename van de medische beperkingen geen sprake was. Terecht is daarom een arbeidskundig onderzoek achterwege gebleven.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak 1 op dit punt niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep van [betrokkene] tegen die uitspraak alsnog ongegrond verklaard moet worden.



De aangevallen uitspraak 2

De Raad stelt vast dat het hier gaat om een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 4 december 2001 vanwege andere klachten (schouderklachten) dan die op grond waarvan de uitkering werd toegekend. Op grond van artikel 37 WAO bedraagt de wachttijd 52 weken, zodat de in geding zijnde datum 3 december 2002 is.

Nadat van de zijde van het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek was ingesteld is het Uwv tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] per 3 december 2002 gesteld moest worden op 15 tot 25%. Dit is aan [betrokkene] meegedeeld bij besluit van 16 januari 2003, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 juli 2003.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de door het Uwv verrichte medische en arbeidskundige beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, juist geacht en het beroep van [betrokkene] ongegrond verklaard.

Zowel in beroep als in hoger beroep heeft [betrokkene] geen andere grieven naar voren gebracht dan in eerdere beroepszaken. [betrokkene] blijft zich beroepen op het standpunt van de behandelend sector en van de door hem geraadpleegde psychiater Kok dat hij niet in staat is tot het verrichten van (lichte) arbeid omdat hij lijdt aan CVS dan wel ME.

De Raad ziet geen aanleiding over deze grieven anders te oordelen dan hij heeft gedaan in zijn eerdere uitspraken met betrekking tot andere geschillen tussen partijen.
Voorts blijkt uit de stukken dat [betrokkene] op 19 juni 2002 is onderzocht door de verzekeringsarts L. Andriessen, die ook telefonische inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend fysiotherapeut. Andriessen concludeerde dat [betrokkene] dezelfde duurzame mogelijkheden voor arbeid had als eerder, maar met enige toegenomen beperkingen voor matig tot zwaar schouderbelastend werk. De bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus heeft de medische gegevens uit het dossier bestudeerd en geconcludeerd dat er geen reden is om verdergaande beperkingen te duiden dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. Dit alles heeft bij de Raad geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij [betrokkene] ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en in de bezwarenfase aan [betrokkene] voorgehouden functies van schilder/spuiter (sbc-code 262170), inpakker (sbc-code 111190) en meteropnemer (sbc-code 315180) niet zou kunnen verrichten. De Raad merkt in dit verband op dat de functie van wikkelaar (sbc-code 267050) blijkens het rapport van 2 mei 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis niet langer geschikt wordt geacht voor [betrokkene] in verband met de daarin voorkomende tilbelasting. Er resteren echter voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen om de schatting op te kunnen baseren.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit van 23 juli 2003 in rechte geen stand kan houden komt de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht in geen van de onderhavige hoger beroepszaken termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1, voorzover aangevochten door het Uwv;
Verklaart het mede tegen het besluit van 30 juni 2003 gericht geachte beroep van [betrokkene] ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x