Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW1828
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering omdat betrokkene met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht passende arbeid te verrichten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3417 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Turkije (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2004, 02/5667 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bijgevoegd is een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes. Bij brief gedateerd 10 februari 2006 is hierop namens appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2006. Voor appellant is verschenen mr. Voets voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser was laatstelijk in Nederland gedurende 40 uur per week als vormenvuller werkzaam. In 1980 heeft hij zich ziek gemeld in verband met hoofdpijnklachten. In verband hiermee ontvangt eiser sedert 13 maart 1981 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiser is in 1984 naar Turkije teruggekeerd. Bij besluit van 17 april 2002 is zijn WAO-uitkering met ingang van 15 oktober 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zijn besluit gegrond op de overweging dat eiser met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht passende arbeid te verrichten.

Eiser heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen, zijn leeftijd en zijn maatschappelijke positie. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er in zijn geval geen sprake is van “niet benutbare mogelijkheden” nu uit de gegevens van de behandelaars uit Turkije blijkt dat er sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Volgens eiser kan hij ook gelet op zijn opleidingsniveau niet voldoen aan de eisen die bij de geselecteerde functies worden gesteld.”

De rechtsbank heeft als volgt geoordeeld:

“De rechtbank merkt allereerst op dat van een onzorgvuldig medisch onderzoek niet is gebleken. Op 18 oktober 2001 is eiser in de Keçiören Polikliniek te Ankara door een psychiater, M.E. Tunca onderzocht, en op 20 oktober 2001 door een neuroloog, dr. D. Akgun. Hierbij heeft de psychiater vastgesteld dat eiser in staat is werkzaamheden te verrichten mits deze zijn psychiatrische verschijnselen niet op een negatieve manier beïnvloeden. De neuroloog heeft eiser geschikt geacht voor werkzaamheden waarbij rekening wordt gehouden met zijn migraine aanvallen. Op grond van hun bevindingen is een beperkingenpatroon, het zogenaamde TH 214-formulier, opgesteld. Op 19 maart 2002 heeft de verzekeringsarts een FIS-belastbaarheidspatroon opgesteld, rekening houdende met de door de Turkse artsen vastgestelde beperkingen van eiser.
Naar aanleiding van de bezwaren van eiser heeft de bezwaarverzekeringsarts na dossieronderzoek een rapport opgesteld. Blijkens dit rapport is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat het rapport van de verzekeringsarts onvoldoende is onderbouwd en onderschrijft de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de verzekeringsarts.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.
De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat op grond van de bevindingen van de psychiater M.E. Tunca had moeten worden geconcludeerd dat er bij eiser sprake zou zijn van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. De psychiater achtte eisers psychische belastbaarheid weliswaar beperkt, doch niet in die mate dat eiser in het geheel niet in staat kan worden geacht werkzaamheden te verrichten. Gelet op de medische gegevens waren er naar oordeel van de rechtbank voor verweerder derhalve onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser geen duurzaam benutbare mogelijkheden had.

De rechtbank kent aan deze door eiser in beroep overgelegde verklaringen, mede door een onvoldoende onderbouwing daarvan, niet het gewicht toe die eiser daaraan toegekend wil zien. Uit de voorhanden zijnde medische informatie is niet dan wel onvoldoende op te maken dat er bij eiser op de hier in geding zijnde datum sprake is van medische beperkingen voor het verrichten van arbeid die verder gaan dan de beperkingen zoals die door de verzekeringsarts zijn vastgesteld. Ook hetgeen naar voren is gebracht met betrekking tot het ‘sociaal disfunctioneren’ van eiser, als daar overigens al sprake van is, gelet op hetgeen ter zake naar voren is gebracht, kan niet tot de conclusie leiden dat eiser niet in staat zou zijn loonvormende arbeid te verrichten.
Voor zover uit de overgelegde verklaringen valt af te leiden dat eisers medische situatie na de datum in geding gewijzigd is, kan dit in het kader van een nieuwe aanvraag aan de orde komen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven. Uit het voorgaande vloeit voort dat naar het oordeel van de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit juist is.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit constateert de rechtbank dat bij enkele onderdelen van de belasting in de geduide functies asterisken zijn geplaatst, hetgeen wil zeggen dat er (mogelijk) sprake is van een verdergaande belasting dan vermeld is op het belastbaarheidspatroon. De rechtbank is echter van mening dat door verweerder voldoende is gemotiveerd waarom eiser de hem geduide functies kan verrichten ondanks de overschrijdingen van zijn belastbaarheid.
De rechtbank constateert voorts dat eiser in de op basis van het belastbaarheidspatroon door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies een loon kan verdienen dat, afgezet tegen het loon dat hij in zijn oude werk had kunnen verdienen als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, tot een verlies aan verdiencapaciteit van 35 tot 45% leidt.
Met betrekking tot eisers stelling dat de geduide functies niet geschikt zijn voor hem in verband met zijn geringe kennis van de Nederlandse taal, overweegt de rechtbank dat eiser de betrekkelijk eenvoudige werkzaamheden in de geduide functies gezien zijn werkervaringen moet kunnen verrichten. In zoverre de grief van eiser aldus dient te worden verstaan dat hij meent als gevolg van een niet optimale (mondelinge) beheersing van het Nederlands een verminderde kans te maken op daadwerkelijke tewerkstelling in meergenoemde functie, overweegt de rechtbank dat dergelijke omstandigheden, gegeven het hiervoor genoemde arbeidsongeschiktheidscriterium bij de vaststelling van de mate van de arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Eisers leeftijd en zijn maatschappelijke positie kunnen evenmin leiden tot het oordeel dat eiser ongeschikt moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten.

De rechtbank heeft ook voor het overige geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de wijze waarop de arbeidskundige kant van de schatting is uitgevoerd, niet juist zou zijn.”

In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts Neefjes, daarnaar bevraagd, verklaard dat, nu het pre-1987-arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is, is getoetst of de geselecteerde functies voldoen aan het criterium ‘ter plaatse waar’. Gebleken is dat de geselecteerde functies, vanuit het woonadres van appellant, alle binnen vijf kwartier bereikbaar zijn.

Namens appellant is opgemerkt dat het FIS-formulier niet overeenstemt met TH-214 formulier dat is opgesteld in Turkije. Daarbij gaat het in het bijzonder om de beperkingen op psychisch gebied. Gesteld wordt dat, gezien de beperkingen aangegeven op het TH-214 formulier, de geselecteerde functies voor appellant medisch niet-geschikt zijn.

Ter zitting is namens het Uwv gesteld dat bij de toepassing van het ‘ter plaatse waar’-criterium wordt gewerkt met een regionale indeling. De geselecteerde functies vallen alle binnen de regio waarbinnen de toenmalige woonplaats van appellant, Deventer, ligt. Ten aanzien van de relatie tussen het FIS-formulier en formulier TH-214 wordt aangegeven dat laatstgenoemd formulier duidelijk afwijkt van het FIS. De op dat formulier aangegeven psychische beperkingen dienen dan ook te worden vertaald naar markeringen op item 28 van het FIS. Primair uitgangspunt daarbij vormt voor de (bezwaar) verzekeringsarts het onderzoeksverslag van de in Turkije ingeschakelde deskundige. In casu heeft die vertaalslag ook plaatsgevonden, waarbij door de bezwaarverzekeringsarts is geconcludeerd dat een aantal beperkingen op het TH-214 formulier geen objectieve basis vinden in het onderzoeksverslag. Die beperkingen zijn dan ook niet overgenomen in het FIS.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat hij zich in grote lijnen kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd merkt de Raad op dat hij geen grond ziet om te twijfelen aan de correctheid van het door het Uwv opgestelde belastbaarheidspatroon en de passendheid, in dat licht, van de geselecteerde functies. Verder ziet de Raad, gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Neefjes in samenhang met de namens het Uwv ter zitting gegeven toelichting, geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet voldoen aan het ‘ter plaatse waar'-criterium.

De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) C.D.A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x