Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW2016
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAZ-uitkering naar wisselende maten van arbeidsongeschiktheid. Welk maatmaninkomen dient te worden gehanteerd bij de berekening van de korting?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3220 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift met bijlage aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 16 mei 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, registratienummer AWB 02/394.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Desgevraagd heeft appellant ontbrekende stukken ingezonden.

Mede naar aanleiding van die stukken heeft gedaagde heeft zijn standpunt nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 november 2005, waar namens appellant is verschenen mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde is in 1997 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn toenmalige werkzaamheden als zelfstandig lithograaf. Ter zake van die werkzaamheden was hij ook op vrijwillige basis verzekerd ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft gedaagde met ingang van 15 januari 1998 uitkeringen toegekend ingevolge de WAO en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 3 februari 2000 heeft gedaagde de uitkeringen - de AAW-uitkering was inmiddels per 1 januari 1998 omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) - herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Nadat was gebleken dat gedaagde vanaf november 1999 was gaan werken via een uitzendbureau, heeft gedaagde in verband met de door gedaagde daarmee ontvangen inkomsten bij een drietal besluiten van 31 oktober 2000 ingevolge de WAO en de WAZ over de maanden november 1999 tot en met mei 2000 kortingen toegepast op de uitkeringen van gedaagde, naar wisselende maten van arbeidsongeschiktheid. Tevens heeft appellant bij besluit van 6 december 2000 een bedrag van f 9.722, - van gedaagde teruggevorderd, als onverschuldigd betaald over de periode van 8 november 1999 tot en met 30 september 2000.

Bij besluit van 17 augustus 2001, genomen nadat van de zijde van gedaagde beroep was ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op de gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 31 oktober 2000 en 6 december 2000, heeft appellant gedaagdes bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep mede gericht geacht tegen het besluit van 17 augustus 2001, hierna: het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tevens heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft, wat betreft het bestreden besluit, in de eerste plaats overwogen dat partijen uitsluitend verdeeld worden gehouden over de vraag welk maatmaninkomen dient te worden gehanteerd bij de berekening van de toegepaste kortingen. Appellant heeft, aldus de rechtbank, daarbij het gemiddelde genomen van de bedrijfsresultaten over de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, derhalve de jaren 1994, 1995 en 1996. De rechtbank heeft zich daarmee niet - ten volle - kunnen verenigen. Overwogen is dat uit het dossier naar voren komt dat de echtgenote van gedaagde in 1995/1996 is overleden, dat gedaagde haar in de laatste twee maanden van 1995 heeft verzorgd en zelf arbeidsongeschikt is geweest in de periode van 29 januari 1996 tot en met 2 juni 1996. De rechtbank acht het alleszins aannemelijk dat het over 1996 geboekte verlies van f 41.559, - in een bepaalde mate beïnvloed is geweest door deze tragische omstandigheden. Daarom dient naar het oordeel van de rechtbank bij de bepaling van het maatmaninkomen het jaar 1996 buiten beschouwing te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is het wel verantwoord uit te gaan van de resultaten over de jaren 1993, 1994 en 1995.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de terugvordering, voor zover deze ziet op de periode van juni 2000 tot en met 30 september 2000, gebrekkig is daar geen sprake is van een eerder of gelijktijdig genomen kortingsbesluit.

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij het nemen van een nieuw besluit duidelijker en met verifieerbare boekhoudkundige gegevens zal moeten aantonen waarom de winst over 1995 f 5.538, - bedraagt in plaats van het door gedaagde genoemde bedrag van f 9.534,26.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Daarbij heeft appellant aangegeven zich bij nader inzien te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het jaar 1996 buiten beschouwing dient te blijven bij de berekening van het maatmaninkomen. Niet kan appellant zich evenwel vinden in het oordeel van de rechtbank dat in plaats van 1996 het jaar 1993 in aanmerking moet worden genomen. Volgens appellant volgt uit de rechtspraak van de Raad dat in een geval als dit kan worden volstaan met een berekening van het maatmaninkomen aan de hand van de resultaten over de jaren 1994 en 1995. Die beide jaren geven naar de zienswijze van appellant een voldoende representatief beeld van de verdiencapaciteit van gedaagde.

Wat betreft de winst over 1995 houdt appellant voorts staande dat die op goede gronden is bepaald op het door de (bezwaar)arbeidsdeskundige berekende bedrag van de fiscale winst ter grootte van f 5.538, -. In dit verband verwijst appellant naar een rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige van 9 augustus 2001. Opgemerkt is nog dat een vaststelling aan de hand van de fiscale gegevens niet mogelijk is, nu gedaagde geen aangifte inkomstenbelasting over 1995 heeft ingestuurd.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant een beperkt karakter heeft, in die zin dat het uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de in het bestreden besluit vervatte korting op gedaagdes uitkering. Met betrekking tot die korting is voorts, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, tussen partijen slechts in geschil het bij de kortingsberekening betrokken maatmaninkomen. Daarbij geldt inmiddels, blijkens hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, als hiervoor weergegeven, dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat het jaar 1996 bij die berekening buiten beschouwing dient te blijven.

De Raad is van oordeel dat beide door appellant voorgedragen grieven op zich slagen.
In zijn rechtspraak heeft de Raad als hoofdregel neergelegd dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Uitgangspunt daarbij is dat het geïndexeerde, gemiddelde inkomen over die drie jaren geacht wordt een representatief beeld te geven van de verdiencapaciteit die de zelfstandige als gezonde in zijn bedrijf heeft.

In gevallen waarin het in aanmerking nemen van genoemde drie jaren praktisch niet mogelijk is, hetgeen zich met name zal voordoen als de betrokken verzekerde ten tijde van zijn uitval nog geen drie jaren heeft gewerkt, of als in de referteperiode sprake is geweest van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg waarvan de desbetreffende jaren of de desbetreffende gedeelten daarvan geen representatief beeld bieden van betrokkenes verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige, volgt uit de rechtspraak van de Raad dat een deel van deze jaren in aanmerking wordt genomen.

De Raad is met appellant van oordeel dat de jaren 1994 en 1995 - zij het wat betreft het jaar 1995, naar hieronder zal blijken, niet ten volle - een voldoende representatief beeld opleveren van gedaagdes verdiencapaciteit om de bedrijfsresultaten over die jaren te kunnen aanvaarden als basis voor een verantwoorde bepaling van gedaagdes maatmaninkomen. De Raad is het daarom eens met appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant ook de resultaten over het jaar 1993 bij de vaststelling van het maatmaninkomen dient te betrekken.

Voorts stelt de Raad zich ook achter de opvatting van appellant inzake de hoogte van het als winst over het jaar 1995 in aanmerking te nemen bedrag. De Raad heeft geen aanknopingspunten om de door appellant uitgevoerde berekening, zoals deze naar voren komt uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 9 augustus 2001, voor onvoldoende onderbouwd of onjuist te houden. Die berekening komt met name hierop neer dat het uit de jaarstukken blijkende bedrijfsresultaat over het jaar 1995 eerst dient te worden verminderd met de investeringsaftrek ten bedrage van ruim f 4.300, -. Ook van de zijde van gedaagde zijn geen concrete gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van deze berekening. In het licht hiervan stelt de Raad zich achter de kritiek van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant duidelijker en aan de hand van (nadere) boekhoudkundige gegevens zal hebben aan te tonen waarom de in aanmerking te nemen winst over 1995 is bepaald op f 5.538,-.

Niettemin is de Raad op grond van het volgende van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

Appellant is ervan uitgegaan - de Raad verwijst hierbij ook naar het verhandelde ter zitting - dat vaststelling van het maatmaninkomen van gedaagde aan de hand van de resterende jaren 1994 en 1995 niet tot een ander resultaat leidt, omdat ook dat resultaat minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon naar het niveau in januari 1997. Appellant heeft bij de desbetreffende berekening evenwel verzuimd - ter zitting is dit expliciet erkend - de winstcijfers van beide jaren te indexeren naar het peil van januari 1997, op de wijze zoals met juistheid gedaan in het ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde opgestelde arbeidskundige rapport van 5 december 1997.

Voorts sluit de Raad zich aan bij de opvatting van gedaagde, zoals deze ter zitting desgevraagd door gedaagde nader is gepreciseerd, dat het jaar 1995 niet in zijn geheel representatief kan worden geacht, aangezien gedaagde in de beide laatste maanden van dat jaar niet heeft kunnen werken in verband met de verzorging van zijn zieke echtgenote. De Raad acht het aangewezen en in lijn te liggen met in eerdere uitspraken in soortgelijke omstandigheden gevolgde benadering, dat appellant bij de ten behoeve van de kortingsberekening toe te passen omrekening van de jaarinkomsten over 1995 naar een maandbedrag, die jaarinkomsten deelt door tien in plaats van door twaalf maanden.

Nu bepaald niet uit te sluiten valt dat een nadere berekening van de toegepaste kortingen met inachtneming van het bovenstaande tot een andere, voor gedaagde gunstiger, uitkomst zal leiden, ziet de Raad aanleiding om de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit, zij het op andere gronden dan in de aangevallen uitspraak vermeld, te bevestigen.

Ter voorkoming van ongerechtvaardigde verwachtingen bij gedaagde wil de Raad ten slotte niet nalaten op te merken dat met bovenstaande nog niet per se gegeven is dat een nader besluit ook daadwerkelijk tot een voor gedaagde gunstiger uitkomst zal leiden.Dit laat zich eerst definitief vaststellen nadat appellant aan de hand van de juiste uitgangspunten, als hiervoor vermeld, een nieuwe berekening heeft gemaakt van het maatmaninkomen van gedaagde en vervolgens, met inachtneming van dat maatmaninkomen, ook een nieuwe berekening heeft gemaakt van de toe te passen kortingen.

Er is niet gebleken van aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten in hoger beroep die op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met dien verstande dat appellant een nader besluit neemt op de bezwaren van gedaagde met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen en geoordeeld.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x