Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW2078
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Betrokkene is geschikt voor de maatgevende arbeid, maar niet bij de eigen werkgever. Arbeidsconflict.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1081 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank van Roermond van 6 januari 2004, reg.nr. 03/897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. Y. de Froe, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2006. Appellante is niet verschenen. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Moor.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was werkzaam als projectmanager/consultant, toen zij zich op 6 maart 2001 ziek meldde als gevolg van beperkingen ten aanzien van het bewegingsapparaat. Na een hersteld melding op 4 maart 2002, is zij op 29 maart 2002 weer uitgevallen. In het kader van de einde wachttijdbeoordeling is appellante op 17 februari 2003 onderzocht door de verzekeringsarts J.F.M.M. van der Hart die tot de conclusie komt, dat appellante in staat is tot normaal functioneren en haar geschikt acht voor de maatgevende functie, echter gezien een arbeidsconflict niet bij de huidige werkgever. Bij besluit van 21 februari 2003 is aan appellante geweigerd na 27 maart 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Appellante heeft zich niet met deze beslissing kunnen verenigen en heeft onder andere aangevoerd dat bij de vaststelling van de Functionele Mogelijkheden Lijst onvoldoende rekening is gehouden met haar rug- en nekklachten. Bij besluit op bezwaar van 20 juni 2003, hierna: het bestreden besluit, is op basis van de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen en bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten de primaire beslissing heroverwogen en is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante de bezwaren herhaald. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante een rapportage van de reumatoloog H.A. Cats overgelegd.

Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek naar de klachten van appellante ingesteld en berust de arbeidsongeschiktheidschatting op een deugdelijke medische grondslag. De in hoger beroep overgelegde rapportage van reumatoloog Cats leidt de Raad niet tot een ander oordeel, aangezien daarin geen gegevens worden vermeld waarmee de betrokkenen verzekeringspartner geen rekening hebben kunnen houden. Gelet hierop kan de Raad de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellante in staat is tot normaal functioneren en geschikt is voor haar maatgevende arbeid niet voor onjuist te houden.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt geschiktheid voor maatgevende arbeid in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake is. Dit is slechts anders indien dit werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake. Nu bezwaararbeidsdeskundige Kursten onderzoek heeft gedaan heeft naar de maatgevende functie en geconcludeerd heeft dat de fysieke belasting in haar werk in verregaande mate vergelijkbaar is met de gebruikelijke belasting in ambulante functies van bedrijfsadviseurs, is hiermee onweersproken vastgesteld dat ten tijde hier in geding deze en soortgelijke functies in voldoende mate elders bestonden.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat op goede gronden WAO-uitkering aan appellante is geweigerd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x