Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW4557
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid van betrokkene voor haar eigen werk.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2296 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 4 maart 2005, 03/2686, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. G.C.G. Raymakers, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2006.
Voor appellante is verschenen haar vader B.C. Zoetelief. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Sowka, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Per 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het bestuur van zowel het Lisv als de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

Appellante was laatstelijk gedurende 32 uur per week werkzaam als administratief medewerkster, toen zij zich op 6 januari 1994 heeft ziek gemeld met surmenageklachten. In februari 1994 is zij betrokken geraakt bij een auto-ongeval, waarna zij meer klachten is gaan krijgen.
Per 5 januari 1995 is aan appellante een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% toegekend. Bij besluit van 28 oktober 1995 is die uitkering per 4 december 1995 ingetrokken. Tegen dat laatste besluit is geen beroep ingesteld, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
Bij besluit (op bezwaar) van 22 augustus 2003 is aan appellante per 4 december 1995 in verband met een nierbekkenontsteking alsnog een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend, doch is die uitkering per 25 mei 1996 (in aansluiting op het bevallingsverlof) beŽindigd omdat per die datum appellante weer geschikt was voor haar maatgevende arbeid en de mate van haar arbeidsongeschiktheid dus minder dan 15% bedroeg.
De rechtbank heeft het tegen dat besluit (wat die beŽindiging betreft) gerichte beroep van appellante bij de thans aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat appellante per 25 mei 1996 weer geschikt was te achten voor haar eigen werk. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante niet met medisch objectiveerbare gegevens heeft aangetoond dat de beperkingen tengevolge van het (in februari 1994 bij het haar overkomen auto-ongeval opgelopen) whiplashsyndroom zijn toegenomen ten opzichte van de situatie op 4 december 1995 en onbetwist vaststaat dat appellante op 25 mei 1996 geen klachten meer had tengevolge van de nierbekkenontsteking, zodat de beperkingen van appellante op 25 mei 1996 gelijk kunnen worden gesteld met de per 4 december 1995 vastgestelde beperkingen.

In hoger beroep tegen die uitspraak heeft appellante haar in beroep ingenomen standpunt herhaald, wederom benadrukkend dat het onderzoek vanwege het Uwv niet volledig is geweest, omdat dat uitsluitend geconcentreerd is geweest op haar nierbekkenontsteking tijdens haar vergevorderde zwangerschap en ten onrechte niet (ook) is gezien naar haar klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen ter zake van het bij haar vastgestelde postwhiplashsyndroom. In dat verband heeft appellante gewezen op het rapport van de in een eerdere procedure door de rechtbank als deskundige ingeschakelde revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen die haar op 14 juni 1996, vlak na de datum thans in geding, heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat zij op 4 december 1995 een klachtenpatroon had ontwikkeld dat kan worden aangeduid als postwhiplashsyndroom, welk beeld nog werd gecompliceerd door een evident hyperesthetisch-emotioneel syndroom. Daarbij heeft appellante aangetekend dat die vaststelling niet teniet wordt gedaan door de bevindingen van de in die eerdere procedure eveneens door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater J.D.J. Tilanus, die na onderzoek op 22 augustus 1997 is gekomen tot de conclusie dat er op 4 december 1995 als uitvloeisel van het haar in februari 1994 overkomen auto-ongeval geen sprake was van een psychiatrisch syndroom en evenmin van beperkingen als gevolg van een ziekte of gebrek.

De Raad kan zich niet vinden in de zienswijze van appellante.
Dit geschil wordt beheerst door de vraag of appellante per 25 mei 1996 weer geschikt was voor haar eigen werk en alsdan niet, dus zeker minder dan 15%, arbeidsongeschikt was.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.
In haar door de Raad bij uitspraak van 22 december 2000 (voorzover aangevochten) bevestigde uitspraak van 1 april 1998 (waarbij na inschakeling van Van Mechelen en Tilanus als deskundigen ongegrond is verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 27 oktober 1995 waarbij aan haar per 5 januari 1995 onder meer een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% is toegekend) heeft de rechtbank ís-Hertogenbosch overwogen dat de artsen die appellante in de loop der tijd hebben onderzocht geen objectiveerbare beperkingen van somatische of psychiatrische aard hebben gevonden die de bij appellante bestaande klachten kunnen verklaren. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat de typering van het klachtenpatroon als postwhiplashsyndroom niet als objectivering in de zojuist bedoelde zin kan worden aangemerkt. De Raad heeft in zijn uitspraak van 22 december 2000 ook aangegeven dat Van Mechelen appellante niet in staat achtte haar werkzaamheden (per 5 januari 1995) uit te voeren, niet zozeer vanwege de door hem bij haar geconstateerde objectiveerbare lichamelijke afwijkingen, maar meer in het bijzonder op grond van zijn opvatting dat er bij haar mogelijkerwijs sprake is van een hyperesthetisch syndroom ten aanzien waarvan Tilanus voormelde conclusie heeft getrokken. Appellante heeft in de loop van de thans aanhangige procedure geen medische gegevens ingebracht die steun kunnen bieden aan de opvatting dat de medische en met name op grond van het postwhiplashsyndroom somatische situatie waarin zij op 25 mei 1996 verkeerde anders, dat wil zeggen ernstiger was dan op 5 januari 1995 of 4 december 1995 waarover (in beide gevallen) in rechte onaantastbaar is beslist.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt.
Er bestaat geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x