Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW9668
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onderzoek naar zwartwerken. Korting op de WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Gebrekkige boekhouding. Schattenderwijze vaststelling van de inkomsten. Herziening en terugvordering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1345 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 december 2003, 02/781 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.J. de Boer, advocaat te Coevorden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn opvolgend gemachtigde, mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de feiten zoals die in rubriek II van de aangevallen uitspraak onder het kopje Feiten en omstandigheden zijn weergegeven.

Aan appellant is per 12 oktober 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. In het kader van een in het voorjaar van 2001 gehouden onderzoek naar “zwart” werken door AAW/WAO-ers hebben opsporingsfunctionarissen van het Uwv geconstateerd dat appellant een escortservice runde, werkzaamheden verrichtte voor privéhuis Natasja en een campersexbus exploiteerde. De inkomsten uit deze werkzaamheden heeft appellant niet bij het Uwv gemeld. Arbeidsdeskundige W. Polman heeft op basis van de zich in het Rapport werknemersfraude van 12 februari 2002 bevindende gegevens de inkomsten uit deze werkzaamheden over de periode van 1 april 1999 tot 17 december 2001 schattenderwijs vastgesteld. Vervolgens zijn deze inkomsten met toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht tot 1 april 1999 in mindering gebracht op de WAO-uitkering van appellant. Herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de periode 1 april 1999 tot 1 januari 2000 resulteerde in een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De herberekening over de perioden 1 januari 2000 tot en met 30 april 2000 en 1 augustus 2000 tot 17 december 2001 leidde tot een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Bij besluit van 29 maart 2002 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering over de periode 1 april 1999 tot 1 januari 2000 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% en dat zijn WAO-uitkering over de perioden 1 januari 2000 tot en met 30 april 2000 en 1 augustus 2000 tot 17 december 2001 niet tot uitbetaling komt.
Bij besluit van 4 april 2002 heeft het Uwv van appellant over voormelde perioden een bedrag aan onverschuldigde betaalde WAO-uitkering teruggevorderd van in totaal bruto € 25.301,98.
Bij besluit van 7 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen de besluiten van 29 maart 2002 en 4 april 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die beslissingen gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen door en namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

In het bestreden besluit is in de conclusie op pagina 7 de periode 1 januari 2000 tot en met 30 april 2000 niet vermeld. De Raad is van oordeel dat dit een kennelijke omissie is. Immers, onder het kopje Heroverweging op grond van de aangevoerde bezwaren op pagina 4 en 5 van het bestreden besluit wordt deze periode wel vermeld en besproken. Aan de enkele omstandigheid dat de periode niet in de conclusie wordt vermeld dienen geen consequenties te worden verbonden.

Mede in aanmerking genomen dat appellant erkent dat hij de genoemde werkzaamheden (heeft) verricht, ziet de Raad met de rechtbank geen aanleiding de bevindingen en conclusies van de opsporingsfunctionarissen, zoals die zijn neergelegd in het Rapport werknemersfraude van 12 februari 2000 niet te volgen. De Raad is van oordeel dat de opsporingsfunctionarissen een deugdelijk en zorgvuldig onderbouwd rapport hebben opgesteld. De stelling van appellant dat enigen van de door de opsporingsambtenaren gehoorde getuigen hun verklaringen onder druk hebben afgelegd is niet met enig bewijs onderbouwd. Aan de “nieuwe” verklaringen van deze getuigen, waarbij zij gedeeltelijk op hun eerdere verklaringen zijn teruggekomen, gaat de Raad onder verwijzing naar zijn ter zake geldende jurisprudentie voorbij.

De Raad is van oordeel dat de door het Uwv aangenomen omvang van de werkzaamheden, te weten 15 uur per week in de eerste periode, 20 uur per week in de tweede periode en 48 uur per week in de derde periode, op voldoende grondslag berust. Hierbij acht de Raad van belang dat het Uwv zich niet slechts baseert op bij de huiszoeking gevonden agendagegevens, maar met name op de door appellant en anderen voor de opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen.

Voorts is Raad van oordeel dat de werkzaamheden van appellant zijn verricht in het economisch verkeer en dat daarmee het behalen van enig voordeel is beoogd c.q. naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kan worden geacht te zijn verkregen. De Raad acht, gelet op de verklaringen van appellant en de getuigen, niet aannemelijk dat appellant met zijn werkzaamheden geen of zodanig weinig inkomsten zou hebben genoten, dat deze inkomsten niet van invloed zouden zijn op de hoogte van de aan appellant te betalen WAO-uitkering.

Naar het oordeel van de Raad kon het appellant gelet op de tekst van de hem jaarlijks toegezonden inlichtingenformulieren redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij zowel de genoemde werkzaamheden als de daarmee gerealiseerde inkomsten spontaan bij het Uwv diende te melden. Nu appellant dit niet heeft gedaan, heeft hij de inlichtingenplicht van artikel 80 van de WAO geschonden. Gelet daarop mocht het Uwv artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht tot 1 april 1999 toepassen.

In een situatie als de onderhavige, waarin door een gebrekkige boekhouding onduidelijk is hoe hoog de feitelijk gerealiseerde inkomsten zijn, mag het Uwv de hoogte daarvan schattenderwijs vaststellen. De Raad is van oordeel dat het Uwv hierbij voldoende zorgvuldig te werk is gegaan. De gehanteerde uurtarieven en de door appellant gehanteerde verdeelsleutel zijn door de betrokken prostituees aangegeven. Appellant heeft de genoemde bedragen en de verdeelsleutel op zich niet bestreden. Naar het oordeel van de Raad was het Uwv niet gehouden de door appellant aan de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens te volgen. Voor de bepaling van de hoogte van het door appellant verworven inkomen acht de Raad de door appellant aan de Belastingdienst in het kader van de aangiften omzetbelasting verstrekte gegevens volstrekt ontoereikend. Uitgangspunt voor de bepaling van het inkomen van een zelfstandig ondernemer zijn de door de fiscus aanvaarde, ten behoeve van de vaststelling van de inkomstenbelasting verstrekte gegevens. De overzichten van het inkomen van de echtgenote van appellant zoals die aan de fiscus zijn verstrekt, geven geen inzicht in het door appellant gerealiseerde inkomen. Bovendien zijn deze gegevens, naar door de Belastingdienst aan het Uwv is meegedeeld, niet gecontroleerd en had het Uwv voldoende aanleiding om aan die gegevens te twijfelen.
Aan het standpunt van appellant dat hij aanzienlijke onkosten had, die op de inkomsten in mindering dienden te worden gebracht, gaat de Raad voorbij, nu appellant dit standpunt niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met zijn werkzaamheden geen dan wel minder inkomsten heeft verworven dan door het Uwv is aangenomen. De Raad is dan ook van oordeel dat de berekening van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid over voormelde perioden op goede gronden berust.

Dit betekent dat aan appellant over die perioden te veel c.q. ten onrechte WAO-uitkering is uitbetaald. Gelet op het bepaalde in artikel 57 van de WAO is het Uwv verplicht onverschuldigd betaalde uitkering van de uitkeringsgerechtigde terug te vorderen. De Raad is niet gebleken dat het terugvorderingsbedrag onjuist is vastgesteld. Nu voorts geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien, kan het bestreden besluit in stand blijven en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x