Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AW9696
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Het UWV is volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar en heeft een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Procesbelang. Proceskosten en kosten van het bezwaar. Vergoeding van de kosten voor medische informatie?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4902 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 augustus 2003, 02/1751 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Bij besluit van 12 november 2001 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen de WAO-uitkering van appellant herzien en met ingang van 27 december 2001 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 september 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen appellant meegedeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2002 alsnog gegrond is geacht en dat deze beslissing in de plaats komt van de beslissing van 4 september 2002 voor zover deze betrekking heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid.
Met ingang van 27 december 2001 wordt de mate van arbeidsongeschiktheid berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Voor het overige wordt de beslissing van 4 september 2002 gehandhaafd.

Namens appellant heeft mr. Klaver de Raad verzocht een proceskostenveroordeling uit te spreken terzake de kosten in bezwaar, in beroep en hoger beroep en de wettelijke rente.

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen heeft bij schrijven van 31 oktober 2005 hierop verweer gevoerd.

Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.




II. OVERWEGINGEN


Blijkens de brief van 2 september 2005 kan appellant zich verenigen dat per 27 december 2001 het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt doorberekend naar 80 tot 100%.

De Raad stelt vast dat met het besluit van 5 juli 2005 vaststaat dat appellant met ingang van 27 december 2001 is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% en op die grond volledig tegemoet is gekomen aan de wens van appellant tot voortzetting van de door hem genoten arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Appellant kan met zijn beroep niet méér bewerkstelligen dat wat hij met het instellen van dat beroep heeft beoogd.

De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de kwestie die appellant in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd. Dit betekent dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep.

Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Raad dient vervolgens antwoord te geven op de vraag of er aanleiding bestaat de door appellant gevorderde kosten te vergoeden met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Voorts overweegt de Raad het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant verschuldigde wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995,314.

Voor wat betreft het verzoek het Uwv te veroordelen in de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar voegt de Raad daar het volgende aan toe. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant niet tijdig heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar.

Met betrekking tot de op het formulier proceskosten opgevoerde kosten voor medische informatie overweegt de Raad dat deze kosten niet nader zijn gespecificeerd zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De overige door appellant op het formulier vermelde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,- vergoedt.
  
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2006.
  
(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C. Tersteeg.




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x