Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX2050
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling gedifferentieerde WAO. Gelijkheidsbeginsel.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6928 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

Horeca Exploitatie Maatschappij [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2005, kenmerk 05/3626 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben toestemming gegeven onderzoek ter zitting achterwege te laten.




II. OVERWEGINGEN


Gelet op de door partijen gegeven toestemming sluit de Raad het onderzoek.

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

De door appellante in 2005 verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO is bij besluit van 6 december 2004 vastgesteld op 4,75%. Bij besluit van 15 april 2005 is het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen omdat daarbij, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, het beroep op het gelijkheidsbeginsel is verworpen. Appellante stelt zich op het standpunt dat de effecten van de premiedifferentiatie groter zijn voor werkgevers met een stijgende loonsom, zoals appellante, in vergelijking met werkgevers met een gelijkblijvende of dalende loonsom. Appellante acht dit in strijd met het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Aan de door de rechtbank al vermelde jurisprudentie voegt de Raad nog toe de in USZ 2001/197 en USZ 2005/158 gepubliceerde uitspraken van 20 juli 2001 respectievelijk 24 februari 2005 en de uitspraak van 12 mei 2005, LJN AT6264. Uit deze jurisprudentie volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x