Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3044
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van het vastgestelde WAO-dagloon. Is ten onrechte geen rekening gehouden met overuren en toeslagen als de TIN-toeslag en CAO-toeslag?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/373 WAO, 03/374 WAO en 03/3201 WAO




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 13 december 2002, kenmerk 02/539 en 02/555 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellants gemachtigde heeft de Raad een afschrift doen toekomen van het besluit van het Uwv van 25 juni 2003.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Namens appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het Uwv zijn verschenen mr. R.G. Willems-Cremers en F.P.L. Smeets, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat thans met het volgende.



De hoogte van het dagloon

Appellant werkte laatstelijk bij [werkgever] te [vestigingsplaats]. Bij besluit van 24 november 1987 heeft het Uwv met ingang van 1 juli 1987 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 149,83. In dit besluit heeft appellant berust.

Bij brief van 17 mei 2001 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de pensionkostentoeslag, de reiskostenvergoeding voor een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst, zes extra reisdagen en extra vakantieverlof. Tevens is verzocht de wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling.

Bij besluit van 3 januari 2002 heeft het Uwv het WAO-dagloon van appellant per 1 juli 1987 verhoogd tot f 153,71. Hierbij is rekening gehouden met een reiskostenvergoeding ad f 1008,-- per jaar. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met toeslagen als TIN-toeslag, CAO-toeslag en overuren. Bij het bestreden besluit van 29 april 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat over de reiskostenvergoeding buitenland vakantietoeslag bijgeteld dient te worden.

De Raad overweegt als volgt.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 17 mei 2001 is het Uwv teruggekomen van het besluit van 24 november 1987.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan appellant is aan te geven waarom de eerdere besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen - uiterlijk in de bezwaarfase - het nodige bewijs te leveren. Op na het besluit op bezwaar aangevoerde nieuwe stellingen kan geen acht worden geslagen, hiermee heeft het Uwv bij het nemen van het besluit op bezwaar immers geen rekening kunnen houden.

Rekening houdend met voorgaande uitgangspunten stelt de Raad vast dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de vakantietoeslag over de reiskostenvergoeding door de Raad niet in zijn overwegingen kan worden meegenomen.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter. Met betrekking tot de reiskostenvergoeding stelt de Raad allereerst vast dat appellant geen bewijs heeft geleverd dat hij die vergoeding ten tijde hier van belang daadwerkelijk ontvangen heeft. Desondanks gaat het Uwv ervan uit dat minimaal f 1008,-- aan reiskostenvergoeding werd ontvangen. Van een dergelijk standpunt kan zeker niet worden gezegd dat het Uwv daartoe in redelijkheid niet kon komen. Ook met betrekking tot de CAO-toeslag en de andere door appellant vermelde toeslagen stelt de Raad vast dat appellant niet het benodigde bewijs heeft geleverd dat hij die toeslag ten tijde hier van belang daadwerkelijk heeft ontvangen.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 29 april 2002 op goede gronden ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak met kenmerk 02/555 moet worden bevestigd.



De wettelijke rente

Bij besluit van 20 februari 2002 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat over de op het besluit van 3 januari 2002 berustende nabetaling geen wettelijke rente zal worden vergoed. Bij het bestreden besluit van 7 mei 2002 is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 mei 2002 vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het besluit van 24 november 1987 als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dat appellant als gevolg van dat besluit schade heeft geleden en dat de schuld en causaliteit zijn komen vast te staan. Volgens de rechtbank is het Uwv op 17 mei 2001 aangemaand, zodat wettelijke rente verschuldigd is vanaf die dag.

Appellant meent primair dat vanaf de datum van toekenning van de WAO-uitkering wettelijke rente verschuldigd is over de nabetaling. Daarbij heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Subsidiair meent appellant dat vanaf 1 januari 1992 wettelijke rente vergoed dient te worden.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst stelt de Raad vast dat het besluit van 25 juni 2003 van het Uwv is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank met kenmerk 02/539. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (JB 1999/123) is een dergelijk besluit op te vatten als een besluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv was dan ook, ingevolge het bepaalde in artikel 6:18, vierde lid, van de Awb, gehouden van het besluit van 25 juni 2003 aan de Raad mededeling te doen. Ondanks dat dit is nagelaten, zal de Raad in het aanhangige hoger beroep tevens een oordeel uitspreken over het besluit van 25 juni 2003.

Nu het Uwv het bestreden besluit van 7 mei 2002 niet handhaaft en niet is gebleken van een belang van appellant bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over dat besluit, zal het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak met kenmerk 02/539 niet-ontvankelijk worden verklaard. De Raad volstaat met een oordeel over het besluit van 25 juni 2003.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad is in een situatie als de onderhavige eerst na aanmaning wettelijke rente verschuldigd.

Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft heeft het Uwv ter zitting van de Raad op 2 juni 2005, waar een aantal gedingen van voormalig collega’s van appellant is behandeld, toegegeven dat de toekenning van rente aan de personen die voorkomen op een door appellant overgelegde lijst berust op fouten zonder dat er bewust beleid is gevoerd om wettelijke rente vanaf een datum vóór 1992 te vergoeden. De Raad heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van het Uwv. Gelet ook op het feit dat niet is komen vast te staan dat in meer dan een relatief beperkt aantal gevallen wettelijke rente is vergoed vanaf een datum vóór 1992, acht de Raad het Uwv niet gehouden ook in appellants geval wettelijke rente te vergoeden vanaf een eerdere datum dan de aanzegging.

De dagloonvaststelling heeft plaatsgevonden in 1987. De besluiten die zijn afgegeven vanaf 1 januari 1992 hebben slechts betrekking op de indexering van het in 1987 vastgestelde dagloon, wat (de hoogte van) de dagloonelementen betreft zijn deze besluiten te beschouwen als een vervolg op het onrechtmatig gebleken besluit van 24 november 1987. Dat betekent dat er ook geen grond is om 1 januari 1992 als ingangsdatum voor de wettelijke rente aan te wijzen.

Het besluit van 23 juni 2003 kan echter geen standhouden, omdat daarin is verzuimd rente over rente toe te kennen. Ter zitting heeft het Uwv medegedeeld dat de verschuldigde wettelijke rente per 1 mei 2006 € 344,74 bedraagt en het Uwv heeft de Raad verzocht ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb aldus zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal dit verzoek niet honoreren. Namens appellant is weliswaar erkend dat de berekening van de wettelijke rente, uitgaande van de ingangsdatum 17 mei 2001, juist is, maar voor de Raad staat niet vast dat betaling uiterlijk op 1 mei 2006 zal plaatsvinden. Het Uwv zal alsnog een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 februari 2002. Hierbij zal het Uwv tevens aandacht hebben te besteden aan de door appellant gevorderde kosten in bezwaar.

De Raad ziet hierin tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- in verband met verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met kenmerk 02/555;
Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak met kenmerk 02/539 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 23 juni 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 februari 2002;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ad € 82,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x