Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3045
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting van een medische parttimer. Er resteren onvoldoende arbeidsplaatsen waarop de schatting kan worden gebaseerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5457 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 september 2003, 01/1593 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 9 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J. van Dijk, advocaat te Arnhem, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Betrokkene was voorheen werkzaam als vertegenwoordiger/cursuscoördinator voor 40 uur per week. In 1997 is hij 20 uur gaan werken. Op 4 augustus 1999 is betrokkene uitgevallen voor zijn werkzaamheden.

Bij besluit van 13 september 2000 heeft appellant geweigerd aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 2 augustus 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 23 november 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het tegen voormeld besluit door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit voorts vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat, gelet op het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige neuroloog dr. P.J.M. van Wensen van 26 november 2002, appellant betrokkene op de in geding zijnde datum 2 augustus 2000, ten onrechte niet heeft aangemerkt als een medisch parttimer waarbij betrokkene in staat moet worden geacht gedurende maximaal 20 uur per week arbeid te kunnen verrichten. Voorts is de rechtbank van oordeel, op basis van, op haar verzoek, nadere door Van Wensen bij brief van 8 juli 2003 verstrekte informatie, dat appellant de omvang van betrokkenes maatman onjuist heeft vastgesteld op 20 uur per week. De rechtbank verwijst hierbij naar de brief van Van Wensen waarin hij een werkweek van 30 uur noemt als geschikt voor betrokkene in 1996.
  
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er, mede gelet op de reeds aangenomen beperkingen bij het verrichten van arbeid geen noodzaak bestaat voor het vaststellen van een medische urenbeperking op 2 augustus 2000. Voorts heeft appellant betoogd geen redenen aanwezig te achten op grond waarvan een uitzondering op de algemene regel, waarbij de urenomvang van de maatman gelijk is aan de urenomvang die een betrokkene werkzaam was voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, moet gelden bij de vaststelling van de urenomvang van betrokkenes maatman. Appellant is van mening dat een noodzaak hiertoe niet blijkt uit de hiervoor genoemde brief van neuroloog Van Wensen.

Namens betrokkene is aangevoerd dat hij op de in geding zijnde datum volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht als gevolg van zijn medische beperkingen. Voorts voert betrokkene aan dat hij, gelet op het feit dat hij in 1997 minder is gaan werken als rechtstreeks gevolg van vermoeidheidsklachten die - onweersproken - samenhangen met zijn ziekte, aangemerkt moet worden als een zogeheten medische afzakker in verband waarmee de omvang van zijn maatman ten onrechte is vastgesteld op 20 uur per week in plaats van 40 uur per week.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het op verzoek van de rechtbank door neuroloog Van Wensen op 26 november 2002 omtrent betrokkene uitgebrachte rapport. In dit rapport stelt Van Wensen zich te kunnen verenigingen met het door appellant opgestelde belastbaarheidspatroon van betrokkene waarbij Van Wensen, anders dan appellant, gezien de vermoeidheid van betrokkene, er van uitgaat dat betrokkene, op de in geding zijnde datum, voor maximaal 20 uur per week geacht moet kunnen worden werkzaamheden te verrichten. Aldus is de Raad van oordeel - evenals de rechtbank - dat appellant betrokkene ten onrechte niet heeft aangemerkt als een medische parttimer op de in geding zijnde datum.

Met betrekking tot de vaststelling van de urenomvang van betrokkenes maatman overweegt de Raad het volgende.

Anders dan de rechtbank ziet de Raad in de brief van 8 juli 2003 van Van Wensen geen aanleiding betrokkene aan te merken als een zogeheten medische afzakker. De Raad overweegt hiertoe dat Van Wensen in voornoemde brief stelt dat er in 1996 geen medische noodzaak voor betrokkene aanwezig was om minder te werken. Dat hij zich, zoals in de brief staat, 'kan voorstellen dat er enige gewenstheid is om de werkweek van 40 uur terug te brengen vanwege de moeheid' doet hieraan niet af. De Raad neemt hierbij mede in overweging dat ook overigens niet aannemelijk is gemaakt dat vermindering van de omvang van betrokkenes werkweek van 40 uur naar 20 uur in 1996/1997 een rechtstreeks gevolg is geweest van de -als gevolg van zijn ziekte- optredende vermoeidheidsklachten. Nu betrokkene zich niet heeft ziek gemeld en uit de in het dossier aanwezige (medische) stukken waaronder de informatie van betrokkenes behandelend neuroloog, niet valt op te maken dat betrokkenes vermoeidheidsklachten in 1996/1997 dusdanig waren dat er reeds toen een medische noodzaak aanwezig kon worden geacht om de omvang van betrokkenes dienstverband te beperken moet de Raad het ervoor houden dat betrokkene op vrijwillige basis de omvang van zijn dienstverband heeft verminderd. Hetgeen betrokkene hieromtrent ter zitting naar voren heeft gebracht, hoe begrijpelijk ook, maakt dit niet anders.

Gelet op het hiervoor overwogene en in het licht van ‘s-Raads jurisprudentie aangaande de vereisten voor de - maximale - urenomvang van aan de schatting ten grondslag te leggen functies bij een medische parttimer, zie de uitspraak van de Raad van 11 maart 2003, LJN AF8482, is de Raad gebleken dat er, gelet op artikel 9, aanhef onder a, van het ten tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) onvoldoende arbeidsplaatsen resteren waarop de schatting kon worden gebaseerd. De Raad heeft hierbij het oog op één functie telefoniste/receptioniste (fb- code 3804) met 8 arbeidsplaatsen, de functie secretaresse verpleegafdeling (fb-code 3213) met 7 arbeidsplaatsen en de functies consultatiebureauassistente (fb-code 5429) met 11 arbeidsplaatsen.

Het bestreden besluit is derhalve op dit punt terecht vernietigd.

Appellant dient ter zake van betrokkenes aanspraken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Gemachtigde van betrokkene heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht appellant te veroordelen in de schade aan de kant van betrokkene. Nu appellant een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Appellant zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin een oordeel is gegeven over de omvang van de maatman;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige met dien verstande dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x