Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3055
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Betrokkene is geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid geweest. Juist beeld van de functie?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5566 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2003, 02/1672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als medewerker postkamer. Hij heeft zich op 29 mei 2000 ziek gemeld wegens psychische klachten. De bedrijfsarts heeft hem per 21 juni 2000 hersteld verklaard. De in het kader van een second opinion ingeschakelde verzekeringsarts heeft appellant op 26 juli 2000 onderzocht en het oordeel van de bedrijfsarts onderschreven. Appellant was volgens de verzekeringsarts zowel op 21 juni 2000 als op 26 juli 2000 geschikt om zijn arbeid te verrichten. Appellant is per 28 juli 2000 door zijn werkgever ontslagen.

Appellant heeft in juli 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Bij besluit van 1 oktober 2001 is deze aanvraag afgewezen omdat appellant vanaf 29 mei 2000 geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Bij besluit van 28 februari 2002 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen eerstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden; ook het door appellant overgelegde rapport van J.H. Schumacher van 17 februari 2003 biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat hij al klachten had voordat hij zich op 29 mei 2000 ziek meldde, zoals blijkt uit het rapport van Schumacher. Voorts heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geen gevolgen verbonden aan de onzorgvuldigheid bij het totstandkomen van het bestreden besluit. Tenslotte stelt appellant dat er alle aanleiding is om een deskundige te benoemen.

De Raad sluit zich voor wat betreft het aspect van de zorgvuldigheid aan bij hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen. Door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarfase zijn de aan het primaire besluit klevende gebreken op dat punt hersteld. Naast de informatie, zoals deze blijkt uit de rapporten van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts, heeft de bezwaarverzekeringsarts bij zijn oordeel ook de informatie van de huisarts betrokken, zodat voldoende informatie aanwezig was om een oordeel op te baseren. Daarbij merkt de Raad op het niet aannemelijk te achten dat genoemde artsen zijn uitgegaan van een onjuist beeld van de functie van medewerker postkamer.

Met betrekking tot de vraag of appellant 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest overweegt de Raad dat ook hij onvoldoende aanleiding heeft om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft zich, blijkens zijn rapportage van 2 februari 2002, gebaseerd op de rapporten van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts alsmede de tijdens de hoorzitting verkregen informatie en de informatie van de huisarts van appellant. Hij komt tot de conclusie dat zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts geen (zware) psychische klachten constateren. De huisarts merkt deze klachten wel op, maar deze zijn in het tweede kwartaal van 2000 niet zo ernstig dat appellant naar een psycholoog of psychiater is verwezen. Dat gebeurt pas later en appellant is gedurende korte tijd behandeld, hetgeen voor de bezwaarverzekeringsarts een indicatie is voor de (geringe) ernst van de klachten. Evenmin zijn de klachten dusdanig ernstig dat antidepressiva worden voorgeschreven door de huisarts. In zijn rapportage van 4 augustus 2003 geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat appellant pas in november 2001 onder psychiatrische behandeling kwam, hetgeen niet bevreemdend is gelet op de geleden verliezen. Dat laat echter onverlet dat appellant, ondanks de bestaande klachten, op 21 juni 2000 en op 26 juli 2000 zijn werk nog had kunnen verrichten. De door Schumacher beschreven desintegratie, de stemmingsstoornis en een geagiteerd depressief syndroom dateren van na deze data. In zijn reactie op het beroepschrift geeft de bezwaarverzekeringsarts aan geen toegevoegde waarde in benoeming van een deskundige te zien. Volgens hem zijn voldoende observaties aanwezig rond de datum in geding.

Gelet op het vorenstaande deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het rapport van Schumacher onvoldoende aanleiding geeft om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad wijst er daarbij op dat Schumacher zijn conclusie met name baseert op van appellant - achteraf - verkregen informatie omtrent zijn gezondheidstoestand rond juni/juli 2000. De objectieve gegevens geven geen onderbouwing van appellants standpunt dat hij vanaf 29 mei 2000 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Dat appellant wel bepaalde klachten had maakt dat niet anders.

De Raad ziet, gelet op de beschikbare medische informatie - zoals hiervoor weer gegeven -, geen aanleiding voor een onderzoek door een deskundige.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er zijn geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter, C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x