Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3085
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herbeoordeling en intrekking WAO-uitkering. Betrokkene is geschikt voor het maatgevende eigen werk. Ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/518 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 december 2003, 03/962 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2006. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Op grond van de gedingstukken laten de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, voor zover van belang, zich als volgt samenvatten.

Betrokkene is op 26 maart 2001 wegens diverse lichamelijke klachten, in het bijzonder spier- en gewrichtspijnen en daaraan gerelateerde psychische klachten, uitgevallen voor haar in een omvang van ruim 24 klokuur per week verrichte werkzaamheden als docente op een basisschool. In aansluiting op het bereiken van de wettelijke wachttijd heeft appellant haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Met ingang van 19 augustus 2002 is die uitkering, in verband met uitbreiding van het aantal uren waarin betrokkene bij de eigen werkgever in aangepaste werkzaamheden had hervat, verlaagd naar de klasse 45 tot 55%.

Als uitkomst van de wettelijk verplichte herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid binnen een jaar, heeft appellant bij besluit van 26 maart 2003 de uitkering van betrokkene met ingang van 29 maart 2003 ingetrokken, daar zij per laatstgenoemde datum weer geschikt werd geacht voor het eigen maatgevende werk als leerkracht. Bij besluit van 2 juni 2003, hierna; het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op grond van de beschikbare medische gegevens geoordeeld dat het medisch onderzoek van appellant niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat derhalve het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en betrokkene als eiseres is aangeduid, heeft de rechtbank daartoe als volgt overwogen:

”Uit de medische rapportage en de Functionele Mogelijkhedenlijst van 28 mei 2002 blijkt dat de verzekeringsarts M.T.G. Gosselink reeds ten tijde van het vaststellen van deze mogelijkheden aaangaf dat “het vastgestelde arbeidsvermogen waarschijnlijk zal toenemen”. Voorts blijkt uit de rapportage van de arbeidsdeskundige J.J.M. Mevis van 1 juli 2002 dat uit een gesprek met bovengenoemde verzekeringsarts M.T.G. Gosselink is gebleken dat: “deze (de verzekeringsarts) acht betrokkene nog steeds niet geschikt voor zelfstandig leidinggeven zoals in de maatmanbetrekking. Geleidelijke uitbreiding qua uren en taken kan in de loop van het tweede ziektejaar plaatsvinden. Een intensief revalidatieprogramma wordt door de verzekeringsarts aanbevolen”(gedingstuk B007/2)
In het onderzoekverslag van A.C.E. Zasada van 5 november 2002 wordt aangegeven:
“Een volledige hervatting binnen een termijn van zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum (01-04-2003) wordt reëel haalbaar geacht. De prognose over een uiteindelijke volledige hervatting in de verzekerde functie is gunstig, na het volgen van een trainingsprogramma bij Winnock (gedingstuk B014/3). Het is de rechtbank op grond van bovenstaande bevindingen en prognoses geheel onduidelijk op grond waarvan eiseres per 29 maart 2003 in staat moet worden geacht haar maatgevende arbeid te verrichtten.
Waarom is eiseres kort voor de datum in geding niet nogmaals opgeroepen voor het spreekuur bij de verzekeringsarts ten einde de beperkingen van eiseres te beoordelen. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 26 mei 2003 kan worden vastgesteld dat eiseres rond de in het geding zijn de datum is uitgevallen. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat uit niets blijkt dat de toestand toen wezenlijk anders was tijdens het opstellen van het belastbaarheidspatroon en neemt deze volledige uitval dan ook voor kennisgeving aan. Ook aan deze rapportage kan naar het oordeel van de rechtbank niet de waarde worden toegekend die verweerder eraan zou willen toekennen. Uit de gedingstukken valt op geen enkel wijze op te maken of eiseres gezien haar medische beperkingen op de datum in geding in staat kon worden geacht werkzaamheden te verrichtten.”

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat weergegeven, naar voren gebracht dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek wel zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat in het bijzonder is voldaan aan de eisen die artikel 3 en artikel 4 van het van toepassing zijnde Schattingsbesluit ter zake stellen. Appellant acht voorts genoegzaam duidelijk waarop zijn standpunt berust dat betrokkene op de datum in geding weer in staat was de eigen arbeid te verrichten: de arbeidsdeskundige is tot die conclusie gekomen op basis van een vergelijking tussen enerzijds de door de verzekeringsarts A.C.E. Zasada ten aanzien van betrokkene vastgestelde medische beperkingen en anderzijds de belastende aspecten van de eigen werkzaamheden van betrokkene.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

De Raad heeft daarbij in de eerste plaats het volgende in aanmerking genomen. In het kader van de beoordeling van haar aanspraken op uitkering per einde wachttijd is betrokkene op 28 mei 2002 onderzocht door de verzekeringsarts M.T.G. Gosselink. Deze verzekeringsarts heeft beperkingen voor betrokkene van toepassing geacht, als vastgelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van diezelfde datum, waaronder in het bijzonder een beperking van de arbeidstijd tot aanvankelijk 12 uur per week en daarna via geleidelijke uitbreiding tot gemiddeld ongeveer vier uur per dag gedurende twintig uur per week. Teneinde te komen tot een verbetering van de medische belastbaarheid van betrokkene voor gangbare arbeid, heeft genoemde verzekeringsarts betrokkene geadviseerd een intensief revalidatieprogramma te volgen, dat rekening houdt met de voor haar aangegeven beperkingen. De arbeidsdeskundige J.J.M. Mevis is, gegeven de voor betrokkene van toepassing geachte beperkingen, onder meer tot de conclusie gekomen dat betrokkene niet meer geschikt is voor de eigen werkzaamheden.

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is betrokkene vervolgens op 5 november 2002 onderzocht door de verzekeringsarts Zasada. Deze verzekeringsarts heeft een FML opgesteld waarop aanzienlijk minder (vergaande) beperkingen zijn opgenomen dan op de FML van verzekeringsarts Gosselink. In het bijzonder heeft Zasada geen beperking met betrekking tot de arbeidsduur van toepassing geacht.

De Raad moet vaststellen dat in het rapport van de verzekeringsarts Zasada in het geheel niet wordt gemotiveerd op grond waarvan die arts tot een aanmerkelijk gunstiger beeld is gekomen van betrokkenes arbeidsbeperkingen dan de verzekeringsarts Gosselink. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de medische situatie van betrokkene ten tijde van het onderzoek door Zasada inmiddels was verbeterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het onderzoek door Gosselink, maar uit het rapport van Zasada blijkt niet dat zulks het geval was. Integendeel: in dat rapport wordt expliciet aangegeven dat betrokkene bij het onderzoek heeft vermeld geen evidente en structurele wijzigingen van de gezondheidsproblematiek te hebben ervaren.

In de tweede plaats wijst de Raad op het volgende. De verzekeringsarts Zasada heeft, zoals ook in de aangevallen uitspraak is overwogen, in zijn rapport tevens aangegeven dat een volledige werkhervatting binnen een termijn van zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum (1 april 2003) reëel haalbaar wordt geacht. De prognose over een uiteindelijke volledige hervatting in de verzekerde functie is volgens deze verzekeringsarts gunstig, na het volgen door betrokkene van een bepaald trainingsprogramma.

De Raad kan op grond van de in het rapport van Zasada opgenomen overwegingen en conclusies, als hiervoor vermeld, niet anders vaststellen dan dat die verzekeringsarts, ondanks dat hij betrokkene minder beperkt achtte dan zijn collega Gosselink, nog niet geschikt achtte voor de eigen werkzaamheden, maar een zodanige geschiktheid - mogelijkerwijs - eerst aanwezig achtte op een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de voorgenomen ontslagdatum 1 april 2003 en na het volgen van een trainingsprogramma.

In lijn met dat oordeel heeft appellant met een tweetal brieven van 29 januari 2003 aan betrokkene respectievelijk aan de werkgever van betrokkene expliciet meegedeeld dat zij voor haar functie als leerkracht weliswaar op de voorgenomen ontslagdatum 1 april 2003 twee jaar ongeschikt is wegens ziekte of gebrek, maar dat zij dat naar verwachting, bij voortgang van de behandeling en op basis van het medisch beloop en adequaat herstelgedrag, niet meer zal zijn binnen zes maanden na die datum.

Van de zijde van appellant is, door de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker in haar rapporten van januari 2004 alsmede door appellants gemachtigde desgevraagd ter zitting, aangegeven dat evenvermeld oordeel van Zasada dat betrokkene nog niet geschikt is voor de eigen werkzaamheden, aldus moet worden begrepen dat dit uitsluitend betrekking heeft op een door betrokkenes werkgever, met het oog op een voorgenomen ontslag van betrokkene, gevraagd zogeheten functieongeschiktheidsadvies en derhalve geen enkele betekenis toekomt voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van betrokkene in het kader van de WAO.

De Raad gaat aan deze achteraf verstrekte uitleg van appellant voorbij, reeds omdat deze geen toereikende steun vindt in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende gegevens. In het rapport van Zasada wordt een zodanig onderscheid tussen het oordeel van die arts in het kader van enerzijds het functieongeschiktheidsadvies en anderzijds de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene voor wat betreft de WAO, niet gemaakt. De Raad laat dan nog daar wat er zij van een dergelijk onderscheid, nu die beide verzekeringsgeneeskundige zienswijzen zich inhoudelijk niet met elkaar laten verenigen en derhalve niet tegelijkertijd geldend kunnen zijn.

De Raad is van oordeel dat in het licht van het bovenstaande de door appellant bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt genomen opvatting dat betrokkene op de datum in geding 29 maart 2003 geschikt was voor haar eigen werk, een deugdelijke motivering ontbeert.

Niet alleen ontbreekt, het zij herhaald, iedere motivering voor de aanzienlijke discrepantie tussen de FML van 28 mei 2002 en de aan appellants opvatting ten grondslag liggende FML van 7 november 2002, daarnaast moet worden vastgesteld dat op de datum in geding de door de verzekeringsarts Zasada bedoelde termijn van zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum 1 april 2003 nog niet was gaan lopen, laat staan verstreken, terwijl betrokkene evenmin het trainingsprogramma had gevolgd waarop die verzekeringsarts het oog had. In het licht van de rapportage van Zasada laat zich derhalve niet begrijpen dat betrokkene reeds op 29 maart 2003 weer geschikt was voor de eigen werkzaamheden. Het enkele gegeven dat appellants arbeidsdeskundige betrokkene op genoemde datum geschikt heeft bevonden voor haar werkzaamheden, kan het hiervoor vermelde motiveringsgebrek niet opheffen.

Het bestreden besluit kan wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb in rechte geen stand houden. De aangevallen uitspraak waarbij dat besluit is vernietigd komt, zij het met enige wijziging van de gronden waarop die uitspraak berust, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322, - voor verleende rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen en geoordeeld;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x