Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3089
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Fibromyalgie. Deugdelijke motivering? Geschiktheid voor de geselecteerde functies?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1545 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 februari 2004, 03/1407 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.L. Mijnssen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuyens.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, die laatstelijk werkzaam was als administratief medewerkster voor 25 uur per week, is op 3 juni 1999 uitgevallen wegens rechterarm- en schouderklachten. Per einde wachttijd heeft een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) plaatsgevonden, waarna appellante met ingang van 1 juni 2000 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Appellante heeft vervolgens het werk hervat voor 12 uur per week en is, nadat door reumatoloog K.J. Korff de diagnose fibromyalgie is vastgesteld, met ingang van 1 oktober 2002 acht uur per week, verdeeld over twee dagen gaan werken.

In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsarts R.R.J. Weijers op 25 november 2002 appellante onderzocht en in zijn rapport aangegeven, dat appellante normaal conform de habitus, leeftijd en conditie belastbaar is zonder beperkingen voortvloeiende uit ziekte en gebrek. Hij geeft daarbij wel beperkingen aan ten aanzien van bovenmatig zware belastingen en hoog frequente repetitieve activiteiten, welke vervolgens door hem in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn vastgelegd. Voor een urenbeperking ziet de verzekeringsarts geen medische aanleiding. Registerarbeidsdeskundige H.J.M. Berkers heeft op basis van deze FML functies geselecteerd en heeft het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 4,03%. Bij besluit van 24 maart 2003 is dienovereenkomstig aan appellante meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 22 mei 2003 wordt ingetrokken.

In bezwaar is door appellante aangevoerd dat zij door de fibromyalgie, waarbij haar medicatie is voorgeschreven, niet in staat is om meer dan acht uur per week te werken. Ter ondersteuning van dit standpunt is medische informatie van haar huisarts en de reumatoloog Korff overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts S. Gommers heeft na het meewegen van deze informatie uit de behandelende sector de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Bij besluit van 10 juni 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellante aangevoerd dat het ziektebeeld fibromyalgie lichamelijk van aard is en invaliderende beperkingen met zich brengt, maar evenzeer dat de oorzaak van het lichamelijk ziektebeeld gezocht kan worden in een belastende levensloop gekoppeld aan een bepaalde persoonlijkheidsstructuur. Voorts is een rapportage van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard overgelegd, waarop bezwaarverzekeringsarts Gommers zijn commentaar heeft gegeven, hetwelk binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermelde termijn van tien dagen voor de rechtbankzitting door het Uwv is ingezonden.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd, dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Gommers boven het standpunt van de door appellante ingeschakelde zenuwarts Busard. Voorts is aangevoerd dat appellante niet in de gelegenheid is geweest om op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts te reageren, nu dat zo laat in de procedure werd ingebracht. In antwoord op voormeld commentaar, is een nader schrijven van Busard overgelegd. Wat betreft de arbeidskundige grieven van appellante is een rapportage van Terzet BV overgelegd en is onder verwijzing naar recente uitspraken van de rechtbanken Almelo en Maastricht aangevoerd dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende verifieerbaar en onvoldoende toetsbaar is.

De Raad stelt vast dat appellante ter zitting van de rechtbank niet uitdrukkelijk heeft verzocht om aanhouding van de behandeling teneinde de gelegenheid te hebben om de zenuwarts Busard te vragen om een reactie op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapport. Voorts stelt de Raad vast dat appellante inmiddels deze gelegenheid in hoger beroep wel is gegeven, welke gelegenheid door haar ook is benut.

Het rapport van Busard is door de rechtbank op 6 januari 2004 ontvangen. Het commentaar hierop van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv op 29 januari 2004 aan de rechtbank toegezonden. De zitting vond op 3 februari 2004 plaats. Mede in aanmerking genomen het tijdstip waarop appellante het rapport van Busard aan de rechtbank heeft doen toekomen, had het naar het oordeel van de Raad op haar weg gelegen om, indien zij daartoe de gelegenheid wilde hebben, uitdrukkelijk aan de rechtbank kenbaar te maken dat zij, het binnen de termijn van artikel 8:58 van de Awb ontvangen commentaar van de bezwaarverzekeringsarts aan Busard wilde voorleggen. Nu appellante dat heeft nagelaten, was - anders dan zij blijkbaar meent - de rechtbank niet gehouden om die gelegenheid uit eigen beweging te bieden en daartoe de behandeling te schorsen of te heropenen.

Voor wat betreft het medische gedeelte, heeft evenals de rechtbank, de Raad gezien de in dit geding beschikbare medische gegevens, waaronder de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen, als ook de overgelegde informatie van de huisarts en reumatoloog Korff, geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad stelt hierbij vast dat de verzekeringsarts Weijers geen objectiveerbare afwijkingen heeft kunnen vaststellen op orthopedisch, neurologisch en reumatologisch gebied. Het rapport van Busard vertoont sterke gelijkenis met eerdere rapporten van Busard, waarin de methode van de zelfeffectiviteitsverwachting is toegepast (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2000, gepubliceerd in USZ 2001, 27); uit het rapport valt op te maken dat Busard ten minste betekenis heeft toegekend aan de zelfbeoordeling door appellante van haar mogelijkheden tot werken. Wat hier verder ook van zij, van meer belang acht de Raad dat de (vergaande) conclusie van Busard dat appellante niet in staat is om meer dan acht uur per week te werken niet aan de hand van een objectief-medische onderbouwing genoegzaam is gemotiveerd. De Raad heeft dan ook geen reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Gommers voor onjuist te houden, dat het rapport van Busard niet tot aanpassing van de FML leidt, dan wel reden is om een duurbeperking op te leggen.

Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting, stelt de Raad vast dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom de geselecteerde functies passend zijn geacht voor appellante, pas in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen, in antwoord op een brief van de Raad van 23 augustus 2005. Naar het oordeel van de Raad zijn met de rapportage van Reijnen de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies uiteindelijk voldoende en adequaat gemotiveerd en is hiermee op adequate wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting in onderhavige geval berust. Vastgesteld kan worden dat appellante geschikt moet worden geacht voor de voor haar geselecteerde functies, waarmee de schatting op goede gronden berust.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in hoger beroep uiteindelijk de hiervoor gewenste geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op s-Raads standpunt met betrekking tot het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- in eerste aanleg en op 322,- in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als giffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x