Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3095
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is de medische grondslag juist? Overschrijden de geselecteerde functies de belastbaarheid?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1667 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 februari 2004, 03/319 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.H.H.G. Kroeze, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door opvolgend gemachtigde, mr. C.C.M. Peper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak.




II. OVERWEGINGEN


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv terecht en op goede gronden de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) met ingang van 28 augustus 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van 27 februari 2003 ten grondslag liggende standpunt, dat appellant, uitgaande van de door de verzekeringsarts A.A.J.B.M. Kurvers ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 28 augustus 2002 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit 19,1% bedroeg.

In dit geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De van de zijde van appellant in bezwaar en in beroep, en thans wederom in hoger beroep aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen recht doet aan de door appellant ervaren klachten aan zijn rechterhand, rug, nek en huid en dat in verband daarmee de door het Uwv voorgehouden functies niet overeenkomen met zijn belastbaarheid.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische gegevens, waaronder de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen, als ook de overgelegde informatie van de behandelende sector, geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat van de zijde van appellant geen gegevens in geding zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellant in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door de (bezwaar)verzekeringsartsen in aanmerking zijn genomen.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de appellant voorgehouden functies voor hem niet geschikt zijn. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat in de rapportage FML Ad/Va overleg alsmede in de door de bezwaararbeidsdeskundige K. Smit gegeven toelichting op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de verwoording functiebelasting van de verschillende voor appellant geselecteerde functies, die overschrijdingen in voldoende mate zijn gemotiveerd.

In hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee, een nadere arbeidskundige toelichting gegeven en is door hem een omissie in toepassing van de reductiefactor hersteld, waardoor een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% is vastgesteld.
De Raad overweegt dat door het Uwv is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd ongewijzigd 15-25% blijft nu appellant door het ingestelde beroep niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren.

De vraag of het bestreden besluit van 27 februari 2003 in rechte stand kan houden, kan de Raad aldus bevestigend beantwoorden.

Uit het vorenstaande volgt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x