Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3104
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Is de medische grondslag juist? Zijn de geselecteerde functies passend? Taalvaardigheidseisen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1127 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2004, 02/2467 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.




II. OVERWEGINGEN


Appellante die reeds jaren werkzaam was als schoonmaakster bij diverse bedrijven, is op 23 maart 1998 uitgevallen wegens klachten - als gevolg van een carpaal tunnel syndroom - aan beide handen. Op 27 mei 1998 is zij geopereerd aan haar rechterhand en op 27 oktober 1998 aan haar linkerhand. Naast deze klachten is appellante bekend met lage rugklachten alsmede met hypertensie. Vervolgens heeft er per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In dat verband is appellante onderzocht door verzekeringsarts K. Baal. Deze heeft in verband met beperkingen in hand- en vingergebruik, en rekening houdend met beperkingen aan de rugfuncties en in verband met hypertensie, op 12 januari 1999 een belastbaarheidspatroon opgesteld. De arbeidsdeskundige, M.C. Schardijn, is van oordeel dat appellante gelet op het belastbaarheidspatroon, ongeschikt is voor haar laatst verrichte werk als schoonmaakster. Voorts is deze arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat er, gelet op de beperkingen zoals vastgelegd in het belastbaarheidspatroon, er geen voor appellante geschikte functies geselecteerd kunnen worden, waardoor aan appellante met ingang van 22 maart 1999 een WAO-uitkering is toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling heeft verzekeringsarts R.M.H. Philippens geconstateerd dat in vergelijking met het belastbaarheidspatroon van 12 januari 1999, er verbetering heeft plaatsgevonden. Vervolgens is een nieuw belastbaarheidspatroon d.d. 6 november 2000 opgesteld. Arbeidsdeskundige R. Vorstermans heeft in zijn rapport van 5 februari 2001 geconcludeerd dat appellante weliswaar niet geschikt is voor haar eigen arbeid, maar nog wel geschikt is voor een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies op grond waarvan moet worden vastgesteld dat er geen loonverlies is. In overeenstemming met dit rapport is appellante bij besluit van 21 maart 2001 meegedeeld dat met ingang van 6 april 2001 haar WAO-uitkering wordt ingetrokken.

In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsarts niet zorgvuldig is geschied aangezien er geen informatie is ingewonnen bij de behandelende artsen. In dat verband wordt er ook op gewezen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de nierontsteking waaraan appellante lijdt. Voorts wordt aangevoerd dat in de geselecteerde functies een overschrijding in de belastbaarheid is ten aanzien van het punt “bijzondere eisen aan hand- en vingergebruik”.

De bezwaarverzekeringsarts C.T.M. Linthorst, komt in een rapport van 7 februari 2002 tot de conclusie dat de primaire verzekeringsarts de medische beperkingen op juiste en zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts tevens de namens appellante in bezwaar overgelegde informatie van appellantes huisarts alsmede van de behandelende arts in Turkije in aanmerking genomen. Bezwaararbeidsdeskundige L.J. de Vrijer heeft in hetgeen in bezwaar is aangevoerd geen aanleiding gevonden het standpunt van de primaire arbeidsdeskundige niet te volgen.

Bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 17 april 2002 is dit besluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit op een voldoende zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts is gebaseerd waarbij tevens de verkregen medische informatie van huisarts, zenuwarts, neurochirurg alsmede de medische informatie van de Turkse arts door de verzekeringsarts is gewogen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde fysieke en psychische beperkingen van appellante. Voorts is de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige kant van oordeel dat, uitgaande van de medische beperkingen van appellante, zij in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functie te vervullen.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Naar de mening van appellante is onvoldoende gemotiveerd waarom haar beperkingen zoals vastgesteld in het belastbaarheidspatroon van 6 november 2000, zijn afgenomen ten opzichte van het belastbaarheidspatroon van 12 januari 1999. Voorts had de verzekeringsarts inlichtingen moeten inwinnen bij met name de huisarts. Daarbij is ten onrechte geen rekening gehouden met de nierklachten die appellante ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsarts reeds had. Ook de chronische hypertensie en hypercholesterolomie waaraan appellante lijdt zijn onvoldoende bij het waarderen van de beperkingen betrokken. Tenslotte is appellante van mening dat zij de geselecteerde functies gelet op haar beperkingen niet kan vervullen, vooral daar waar de functies bijzondere eisen stellen aan het hand- en vingergebruik.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank niet slagen.
Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Voor wat betreft het medische gedeelte kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek, waarbij appellante lichamelijk is onderzocht, voldoende diepgaand en ook anderszins zorgvuldig geweest en is de overgelegde informatie van de huisarts, zenuwarts, neurochirurg alsmede de medische informatie van de Turkse arts, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.
Ten aanzien van de grief namens appellante dat de verzekeringsarts R.M.H. Philippens, inlichtingen had moeten inwinnen bij de behandelende sector, merkt de Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts, C.T.M. Linthorst, de beschikking had over informatie vanuit die behandelende sector. Deze informatie heeft hij betrokken in zijn heroverweging en is geen aanleiding geweest het standpunt van de verzekeringsarts te wijzigen.
Uit de stukken blijkt tevens dat de verzekeringsarts bekend was met de klachten van hypertensie, nu eerdere medische onderzoeksgegevens van appellante tot zijn beschikking stonden. Ook de nierbekkenontsteking waaraan appellante ten tijde van het onderzoek leed, was bekend. Dat voor deze klacht geen beperkingen zijn aangenomen aangezien het een tijdelijke, goed te behandelen aandoening betreft, kan de Raad gelet op de datum in geding niet voor onjuist houden. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft deze klachten van appellante in de heroverweging meegenomen. Met betrekking tot de klachten van hypertensie is overwogen dat terecht geen beperking is aangenomen nu appellante hiervoor geen medicatie gebruikt. Overigens heeft appellante ten aanzien van deze klachten ook geen nadere medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan het medisch oordeel. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is kunnen blijken van objectief-medisch aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de voor appellante aangenomen beperkingen zijn onderschat.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen bestaat evenmin grond om er van uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zijn. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen het restrictieoverleg VA-AD van 8 januari 2001 met betrekking tot afwijkende functiebelasting.
Wat betreft de grief dat de functies niet passend zijn, omdat appellantes taalvaardigheid onvoldoende is om de bij de schatting in aanmerking genomen functies te kunnen vervullen, daarbij inbegrepen de eis dat een interne bedrijfsopleiding moet worden gevolgd, blijkt uit de stukken dat appellante in het verleden een cursus Nederlands heeft gevolgd die is afgesloten met een diploma/getuigschrift en dat zij in staat is gebleken gedurende zeker 15 jaar als schoonmaakster te werken. Het vorenstaande in aanmerking nemende is de Raad van oordeel dat appellant aan de gestelde eisen met betrekking tot beheersing van de Nederlandse taal moet kunnen voldoen. De Raad heeft daarbij nog reeds in aanmerking genomen dat bij de schatting betrokken functies van eenvoudige aard zijn waarbij de eisen die aan de taalvaardigheid in de Nederlandse taal worden gesteld, een beperkt karakter zullen hebben. Overigens merkt de Raad op dat indien de functies waarbij er een interne bedrijfsopleiding moet worden gevolgd, buiten beschouwing worden gelaten, er nog voldoende (andere) functies resteren die aan de schatting van het bestreden besluit ten grondslag gelegd kunnen worden.

Nu de Raad ook voor het overige, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen aanleiding heeft om het bestreden besluit niet voor juist te houden, volgt uit het bovenstaande dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x