Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO / ZW
x
LJN:
x
AX3242
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Zijn de beperkingen juist vastgesteld? Weigering ziekengeld. Betrokkene is geschikt voor in elk geval één van de in de WAO-zaak geduide functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2752 WAO en 04/2753 ZW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 april 2004, 03/792 en 03/1588 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2006. Appellante is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was via een uitzendbureau werkzaam als machinebediende bij [werkgever] te [vestigingsplaats], toen zij op 10 september 2001 met een scala aan klachten uitviel. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd zij op 10 juni 2002 gezien door de verzekeringsarts G.N.L. Lechanteur. Lechanteur achtte appellante belastbaar voor in energetische en locomotore zin zeer lichte arbeid die niet te stresserend van aard is. De arbeidsdeskundige C.J. Schrijvers raadpleegde, met gebruikmaking van de door Lechanteur opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), selecteerde functies in vijf SBC-codes en berekende het verlies aan verdien-capaciteit op 13,3%. Omdat appellante kort na de datum waarop zij het einde van de wachttijd van 52 weken bereikte, zou worden geopereerd aan haar voet, is deze schatting niet geëffectueerd, maar heeft het Uwv haar met ingang van 9 september 2002 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Lechanteur heeft appellante op 17 december 2002 op zijn spreekuur gezien en een nieuwe FML opgesteld, rekening houdend met de verkregen informatie van de huisarts en de meest recente ontwikkelingen. Schrijvers heeft op basis van dit nieuwe, aangescherpte, FML het CBBS geraadpleegd, wederom functies in vijf SBC-codes geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 11,26%.

Het Uwv heeft dienovereenkomstig bij besluit van 5 februari 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 april 2003 ingetrokken.

In de bezwaarfase is appellante gezien door de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten, die geen aanleiding zag het primaire medische oordeel te wijzigen, maar wel de functies in twee SBC-codes liet vervallen omdat de belastingeisen in die functies de door de verzekeringsarts aangegeven belastbaarheid overschreden.

Het Uwv verklaarde bij besluit van 2 mei 2003 (besluit 1) het bezwaar van appellante gegrond en verlaagde met ingang van 5 april 2003 de WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%, onder de overweging dat door het vervallen van functies het mediaanloon is gewijzigd en het verlies aan verdiencapaciteit op 16,4% moet worden gesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen besluit 1 ongegrond.

Appellante meldde zich in verband met toegenomen klachten en een voorgenomen operatie aan haar rechtervoet op 22 april 2003 ziek. Deze ziekmelding werd geaccepteerd, waarna een verzekeringsarts appellante op zijn spreekuur van 22 augustus 2003 met ingang van 25 augustus 2003 hersteld verklaarde. Het Uwv deelde appellante bij besluit van 27 augustus 2003 mee dat zij met ingang van 25 augustus 2003 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. In de bezwaarfase oordeelde bezwaarverzekeringsarts Joosten dat geen aanleiding bestond het primaire medische oordeel te wijzigen, waarna het Uwv bij besluit van 20 oktober 2003 (besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 augustus 2003 ongegrond verklaarde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen besluit 2 eveneens ongegrond.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv aanneemt.

De Raad stelt vast dat appellante haar stelling niet met nadere medische stukken heeft onderbouwd. Gelet hierop en op het feit dat de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende eigen onderzoek hebben verricht, waaronder het inwinnen van informatie bij de behandelend sector en het betrekken van deze informatie bij hun standpunt, ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Besluit 1 berust op een juiste medische grondslag.

Aan de schatting liggen functies in drie SBC-codes ten grondslag. Gelet op de desgevraagd in beroep gegeven toelichting op een aantal aspecten van die functies en op de in hoger beroep gegeven nadere motivering op de niet-matchende punten, is de Raad van oordeel dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Vanuit medisch oogpunt gezien zijn de functies passend te noemen. Onder verwijzing naar de inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad komen de aangevallen uitspraak en besluit 1 voor vernietiging in aanmerking, onder het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

Ten aanzien van de weigering van ziekengeld per 25 augustus 2003 kan de Raad zich vinden in de overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen moeten leiden tot de conclusie dat appellante met ingang van 25 augustus 2003 in staat moet worden geacht tenminste één van de functies te vervullen die aan de schatting per 5 april 2003 ten grondslag liggen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover het beroep tegen het besluit van 2 mei 2003 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 mei 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 164,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x