Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX3246
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2784 WAO en 04/2793 WAO




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2004, 02/2459 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 16 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.J.D. van Ruyven, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Bij fax van 6 maart 2006 heeft mr. Van Ruyven de Raad medegedeeld wegens ziekte niet in staat te zijn ter zitting te verschijnen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2006. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Jurg, werkzaam bij voornoemd uitvoeringsinstituut. Betrokkene is ter zitting in persoon verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Betrokkene heeft ter zitting van de Raad verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen in verband met ziekte van zijn advocaat.

De Raad heeft besloten aan dit verzoek niet te voldoen. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat tegenover het recht van betrokkene op een zo goed mogelijke behartiging van zijn belangen in rechte staat dat de door betrokkene zelf gekozen advocaat met zeven kantoorgenoten samenwerkt en niet valt in te zien waarom bij een, niet ongebruikelijk, fenomeen als ziekte geen vervanging door een kantoorgenoot mogelijk zou zijn geweest. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat de zaak in juridisch opzicht niet al te gecompliceerd is en dat betrokkene ter zitting wat betreft de feiten en zijn belang in de zaak goed op de hoogte bleek te zijn.

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Betrokkene heeft gewerkt als accountmanager bij een softwarebedrijf. Hij is op 16 september 1998 door een whiplash als gevolg van een kettingbotsing arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 15 september 1999 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts R.W. van Hes de belastbaarheid van betrokkene vastgesteld op 24 januari 2000. Van Hes achtte betrokkene vanaf 1 maart 2000 voor 20 uur per week belastbaar en stelde voorts enige beperkingen wat betreft lichamelijke psychische factoren. Volgens Van Hes zou voor betrokkene vanaf 1 september 2000 op medische gronden geen urenbeperking meer nodig zijn.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H. Glashorst volgens zijn rapport van 4 april 2000 op die datum en eerder op 1 februari 2000 met betrokkene gesproken. In het eerste gesprek gaf betrokkene aan dat het contact met zijn oude werkgever minimaal was waarop Glashorst heeft gezegd bij die werkgever langs te zullen gaan met het oog op de terugkeer van betrokkene. In het tweede gesprek op 4 april 2000 bleek dat betrokkene voor 20 uur per week had willen hervatten in zijn oude functie maar dat de werkgever dat niet wilde. Glashorst heeft bij die gelegenheid een schatting op geselecteerde functies aangezegd die in verband met de voor betrokkene geldende urenbeperking uitkwam op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij brief van 17 april 2000 heeft Glashorst de toekomstige herziening van de WAO-uitkering van appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% bevestigd. In die brief werd erop gewezen dat nog een besluit van het Uwv hierover zou volgen waartegen betrokkene desgewenst bezwaar zou kunnen maken. Betrokkene heeft ontkend dat het rapport van 4 april 2000 als bijlage bij de brief was gevoegd.

Nog in april 2000 is betrokkene door een advertentie in contact gekomen met een thuiszorgwinkel. Met ingang van 1 mei 2000 is betrokkene daar voor 24 uur per week als hoofd magazijn gaan werken.

Bij besluit van 5 juni 2000 heeft het Uwv betrokkene medegedeeld dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 juni 2000 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Aan de Raad is niet voldoende overtuigend gebleken dat betrokkene bij het Uwv eerder dan op een door hem op 5 januari 2001 ondertekend en op 10 januari 2001 door het Uwv ontvangen formulier van zijn gedeeltelijke werkhervatting met ingang van 1 mei 2000 en de daaruit voorvloeiende inkomsten melding heeft gemaakt.

Na genoemde melding en na onderzoek door onder meer de arbeidsdeskundige Glashorst heeft het Uwv de volgende primaire besluiten genomen.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het Uwv met betrekking tot de uitkering van betrokkene besloten die uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 mei 2000 uit te betalen als ware betrokkene voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in verband met de verdiensten uit het werk bij de thuiszorgwinkel.

Bij besluit van 28 november 2001 is de inhoud van het besluit van 5 juni 2000 - naar de Raad aanneemt: informatief bedoeld - herhaald en de betaling van de uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% op en na 18 juni 2000 voortgezet.

Bij besluit van 29 november 2001 is de uitkering van betrokkene met ingang van 1 mei 2001 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij de behandeling van het bezwaar van betrokkene tegen deze drie besluiten is gebleken dat de thuiszorgwinkel eind juni 2000 een zogeheten Rea-aanvraag voor betrokkene heeft gedaan. Het Uwv beschikt niet over voor 10 januari 2001 ontvangen inlichtingenformulieren waarop betrokkene van de werkhervatting op 1 mei 2000 melding heeft gemaakt.

Bij besluit van 16 april 2002, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen de hiervoor weergegeven besluiten ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv ten onrechte een verkeerde regeling heeft aangehaald in het bestreden besluit en daarom dat besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit heeft de rechtbank in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat van "toedoen" in de zin van de wel van toepassing zijnde "Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000", verder: de regeling, in het onderhavige geval geen sprake is geweest maar dat het betrokkene wel redelijkerwijs duidelijk kon en moest zijn dat hij met ingang van 1 mei 2000 teveel uitkering ontving, ook al was de som van uitkering en de verdiensten bij thuiszorg niet hoger dan zijn oude salaris.

Betrokkene en het Uwv zijn beiden in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak.

Betrokkene is van oordeel dat niet met terugwerkende kracht tot 1 mei 2000 zijn uitkering kan worden verminderd. Zijn stelling is dat hij zijn werkhervatting tijdig heeft gemeld.

Het Uwv is van oordeel dat er sprake is van "toedoen" van betrokkene.

De Raad oordeelt als volgt.

Bij het bestreden besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van betrokkene tegen twee zogeheten anticumulatiebesluiten van 27 en 28 november 2001 en het besluit van 29 november 2001, waarbij de uitkering van betrokkene met terugwerkende kracht tot 1 mei 2001 is herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De berekening van het uitbetaalde bedrag is tussen partijen niet in geschil en is ook de Raad niet onjuist voorgekomen.

In het onderhavige geval is echter, anders dan de rechtbank heeft overwogen, met betrekking tot deze twee anticumulatiebesluiten niet artikel 36a van de WAO - welk artikel betrekking heeft op besluiten tot herziening of intrekking van besluiten tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering of weigering van een zodanige uitkering - en de daarop gebaseerde en door de rechtbank genoemde regeling van toepassing, maar artikel 44 van de WAO.

Het vorenstaande betekent echter niet dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen deze beide anticumulatiebesluiten ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd, zoals de rechtbank heeft gedaan.

De Raad heeft daartoe het volgende overwogen.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad vergt het beginsel van de rechtszekerheid dat de toepassing van de anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht op reeds uitbetaalde uitkeringen niet kan plaatsvinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien betrokkene wist, dan wel redelijkerwijs kon worden geacht te weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald dan wel indien het ongewijzigd voorzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl het bestuursorgaan een ander (minder gunstig) besluit zou hebben genomen, indien het destijds de juiste feiten had gekend.

De Raad is van oordeel dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich in het onderhavige geval voordoet.

De Raad is van oordeel dat het niet nakomen door betrokkene van de ingevolge artikel 80 van de WAO op hem rustende verplichting om onverwijld en uit eigen beweging van zijn werkhervatting bij de thuiszorgwinkel en het daarmee te verdienen inkomen met ingang van 1 mei 2000 aan het Uwv mededeling te doen, moet worden gezien als onjuiste of onvolledige informatieverschaffing en dat als gevolg daarvan de betaling van de uitkering op en na die datum niet tijdig is aangepast aan de verdiensten.

Hieraan kan niet afdoen dat in de loop van juni 2000 de thuiszorgwinkel een Rea-aanvraag ten behoeve van betrokkene heeft ingediend. Die aanvraag, die niet door betrokkene zelf is gedaan en waarin ook niet is gewezen op de omstandigheid dat betrokkene op 1 mei 2000 nog een uitkering ingevolge de WAO ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, kan niet worden aangemerkt als een voldoen door betrokkene aan de op hem rustende informatieplicht.

De Raad overweegt voorts dat betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze werkhervatting viel onder de op hem rustende informatieplicht. De Raad is van oordeel dat het op 1 mei 2000 naast elkaar hebben van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering en de verdiensten met 24 uur per week werken betrokkene op zijn minst tot de gedachte had moeten leiden dat die werkhervatting van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van het bedrag wat van die uitkering vanaf 1 mei 2000 kon worden betaald.

Voorts is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat Glashorst voor de verzending van de brief van 17 april 2000 heeft geweten dat betrokkene per 1 mei 2000 een betrekking bij de thuiszorgwinkel had aanvaard noch dat betrokkene daarna eigener beweging, bijvoorbeeld door inzending van een salarisstrook aan de uitkeringsafdeling van het betrokken Uwv-kantoor, aan zijn plicht tot informatieverschaffing heeft voldaan totdat hem begin januari 2001 door het Uwv een formulier werd toegezonden.

De Raad hecht er wel aan op te merken dat er naar zijn oordeel in het onderhavige geval zeker geen sprake is geweest van opzettelijke fraude maar dat ook een door onachtzaamheid niet voldoen aan de plicht tot informatieverschaffing aanleiding kan geven tot het oordeel dat met terugwerkende kracht toepassing van artikel 44 van de WAO kan plaatsvinden.
Dit leidt de Raad tot de conclusie dat bij het bestreden besluit terecht het bezwaar van betrokkene tegen de hiervoor genoemde anticumulatiebesluiten ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot het besluit van 29 november 2001, waarbij de uitkering van betrokkene met ingang van 1 mei 2001 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% overweegt de Raad dat op dat besluit artikel 36a van de WAO en de door de rechtbank genoemde regeling van toepassing is.

De Raad stelt voorts vast dat de in dit besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in hoger beroep niet is aangevochten en de Raad ook niet onjuist is voorgekomen.

Met betrekking tot de door betrokkene aangevochten terugwerkende kracht van dit besluit stelt de Raad vast dat op 1 mei 2001 betrokkene al aan zijn informatieplicht had voldaan door inzending van het formulier in januari 2001 zodat van "toedoen" in de zin van de regeling met betrekking tot dat besluit geen sprake kan zijn.

De Raad is echter van oordeel dat betrokkene, die op 1 mei 2001 een uitkering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en daarnaast 24 uur per week werkzaam was tegen een bruto loon dat in december 2000 f 4554,- per maand bedroeg redelijkerwijs kon weten dat hij teveel uitkering ontving.

Ook met betrekking tot dit besluit is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van betrokkene terecht bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

Dit leidt de Raad tot de slotsom dat met vernietiging van de aangevallen uitspraak het inleidend beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x