Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX4366
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Juistheid van het oordeel over de belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/1388 WAO en 05/5692 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 februari 2003, 01/422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.M. Keuning, advocaat te Leeuwarden, een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 7 september 2005 heeft appellant de Raad een afschrift doen toekomen van een nieuw besluit op bezwaar van diezelfde datum.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2005. Appellant was vertegenwoordigd door J.T. Wielinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit op bezwaar kenbaar te maken. Bij brief van 27 december 2005 heeft betrokkene daarvan gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 17 maart 2006. Appellant was vertegenwoordigd door T. Hollander, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is op 1 september 1999 als gevolg van hoofd- en nekklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als voorman schoonmaker in Wsw-verband. Bij besluit van 31 oktober 2000 heeft appellant geweigerd aan betrokkene per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene minder dan 15% bedroeg. Bij besluit van 5 april 2001 (besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 oktober 2000 ongegrond verklaard. Het Wsw-dienstverband van betrokkene is per 15 november 2001 beŽindigd.

Blijkens de gedingstukken ligt aan besluit 1 het oordeel ten grondslag dat betrokkene weliswaar medische beperkingen ondervindt, maar met die beperkingen (primair) in staat is te achten zijn eigen werk, alsmede (subsidiair) passende andere werkzaamheden te verrichten, waarmee hij tenminste 85% zou kunnen verdienen van hetgeen de soortgelijke gezonde persoon verdient, zodat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit ontstaat.

Betrokkene heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld bij de rechtbank Leeuwarden. Naar aanleiding van het op verzoek van de rechtbank door de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort als deskundige uitgebrachte rapport omtrent de gezondheidstoestand van betrokkene, heeft appellant besloten de voor betrokkene geldende beperkingen aan te passen aan de visie van de deskundige Van Zandvoort. Gelet op de aangescherpte belastbaarheid heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot vervolgens zijn twijfel uitgesproken over de geschiktheid van betrokkene voor de functie van voorman schoonmaker, doch hem geschikt geacht voor Wsw-arbeid in het algemeen, welke arbeid, aldus De Groot, is aan te merken als de maatman van betrokkene. Een theoretische schatting zou volgens De Groot leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 16,5% en derhalve indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Appellant heeft aangegeven zich met de conclusies van De Groot geheel te kunnen verenigen.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant weliswaar naar aanleiding van het rapport van de deskundige Van Zandvoort heeft meegedeeld dat het FIS-scoreformulier op de door Van Zandvoort aangegeven punten dient te worden aangepast en dat hiertoe ook is overgegaan op 24 juli 2002, doch dat dit niet heeft geleid tot een gewijzigd besluit op bezwaar en dat reeds hierom het beroep gegrond dient te worden verklaard. Met betrekking tot het gewijzigde FIS-scoreformulier van 24 juli 2002 heeft de rechtbank overwogen dat dit conform de conclusies van Van Zandvoort is aangepast en dat ook overigens niet is gebleken dat bij het gewijzigde FIS-scoreformulier de belastbaarheid van betrokkene is overschreden. De rechtbank heeft daarin echter geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van besluit 1 in stand te laten en daartoe overwogen - kort samengevat - dat appellant bij zijn standpunt dat betrokkene geschikt is voor zijn eigen werk ten onrechte niet heeft betrokken dat dit werk voor betrokkene niet meer beschikbaar was en dat appellant ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of voor betrokkene passend Wsw-werk beschikbaar was. Tenslotte heeft de rechtbank bepaald dat appellant aan betrokkene het griffierecht vergoedt en appellant veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van Ä 644,-.

Appellant heeft zijn hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank dat hij ten onrechte niet heeft onderzocht of voor betrokkene passend werk in Wsw-verband beschikbaar was. Appellant meent dat hij daarnaar geen onderzoek hoefde in te stellen.

Bij brief van 7 september 2005 heeft appellant de Raad meegedeeld dat zijn aanname dat voor betrokkene als maatman moet worden aangemerkt degene die Wsw-arbeid in het algemeen verricht, gelet op de jurisprudentie van de Raad, geen stand kan houden. Hierdoor vervalt het aan besluit 1 ten grondslag liggende primaire standpunt, zodat slechts het subsidiaire standpunt (de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van functieduiding) resteert. In beroep is echter naar aanleiding van de bijstelling van het belastbaarheidspatroon aan de conclusies van de deskundige Van Zandvoort gebleken dat het resultaat van deze theoretische schatting niet uitkomt op een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zoals vervat in besluit 1, maar op indeling in de klasse 15 tot 25%. Appellant heeft dit vastgelegd in een nieuw besluit op bezwaar van 7 september 2005 (besluit 2).

Nu appellant van oordeel is dat besluit 1 niet houdbaar is en overigens niet is gebleken dat appellant nog enig rechtens te beschermen belang heeft bij beoordeling van besluit 1, is er aanleiding het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Waar de rechtbank zich in haar uitspraak van 10 februari 2003 niet heeft uitgesproken over het aan besluit 1 ten grondslag liggende subsidiaire standpunt en dit de enige basis is van besluit 2 terwijl bij dit besluit niet aan de bezwaren van betrokkene tegemoet is gekomen, heeft de Raad betrokkene de keuze gelaten tussen het meenemen door de Raad van besluit 2 op grond van artikel 6:18 juncto 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en besluit 2 terugwijzen naar de rechtbank zodat de rechtbank hieromtrent nog een oordeel kan vormen. Betrokkene heeft te kennen gegeven dat het zijn voorkeur geniet dat de Raad besluit 2 meeneemt in zijn oordeelsvorming en de Raad zal betrokkene in die voorkeur volgen.

In het kader van de beoordeling van besluit 2 overweegt de Raad, gelet op hetgeen betrokkene in reactie op dit besluit heeft aangevoerd, ten aanzien van de medische grondslag ervan dat in vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem door de rechtbank geboden gelegenheid om op het rapport van Van Zandvoort te reageren en heeft eerst ter zitting van de rechtbank aangegeven dat het door de deskundige uitgebrachte rapport geen recht doet aan de werkelijke ernst van zijn klachten. Betrokkene heeft dit standpunt echter op geen enkele wijze nader onderbouwd.

Uit het voorgaande volgt dat voor de situatie op de datum in geding moet worden uitgegaan van de door de bezwaarverzekeringsarts A.J.M. Vellinga op 24 juli 2002 vastgestelde (aan het rapport van Van Zandvoort aangepaste) belastbaarheid van betrokkene.

Alvorens de vraag te beantwoorden of betrokkene met inachtneming van de door appellant vastgestelde belastbaarheid in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen, overweegt de Raad - naar aanleiding van het standpunt van betrokkene dat hij niet begrijpt dat appellant, nadat deze heeft geconcludeerd dat betrokkene niet herplaatst kan worden in een andere functie binnen Wsw-verband, hem vervolgens functies in de vrije sector duidt - het volgende.

Vaststaat dat betrokkene, voordat hij in december 1993 toetrad tot de Wsw-personenkring, jarenlang arbeid heeft verricht in het vrije bedrijf. Uit de rapportage van de neuroloog A.W.F. Rutgers van 9 november 1998 kan worden opgemaakt dat betrokkene in 1993 wegens rugklachten bij de Sociale Werkplaats is gaan werken en dat hij daar tot het hem in augustus 1995 overkomen verkeersongeval min of meer alle werkzaamheden kon doen. Voorts heeft de deskundige Van Zandvoort in zijn rapport van 26 juni 2002 op basis van de door hem beschreven dossiergegevens geconcludeerd dat betrokkene uitvoerig is onderzocht voor zijn rugklachten (en na het ongeval in 1995 voor zijn nekklachten) en dat al die onderzoeken geen duidelijke klinische afwijkingen hebben opgeleverd. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de plaatsing in Wsw-verband van betrokkene kennelijk niet is geschied in verband met ernstige medische beperkingen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat betrokkenes arbeidsverleden een indicatie vormt dat betrokkene op de in geding zijnde datum slechts geschikt was om arbeid in Wsw-verband te verrichten en ligt het veeleer op de weg van betrokkene om aan te tonen dat het oordeel van appellant dat betrokkene geschikt is voor functies in het vrije bedrijf onjuist is. In dat laatste is betrokkene naar ís Raads oordeel niet geslaagd.

De vraag of betrokkene met inachtneming van de door appellant vastgestelde belastbaarheid in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen, beantwoordt de Raad bevestigd. Met betrekking tot deze functies merkt de Raad allereerst op dat appellant de schatting uiteindelijk heeft gebaseerd op de functies samensteller, statistisch medewerker en printplatenmonteur, welke functies ieder voor zich en in totaal voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Voor zover in die functies asterisken voorkomen, ten teken dat de belastbaarheid van betrokkene mogelijk wordt overschreden, overweegt de Raad dat bezwaarverzekeringsarts Vellinga in de - in beroep overgelegde - rapportage van 9 september 2002 voldoende heeft gemotiveerd waarom deze functies voor betrokkene in medisch opzicht passend moeten worden geacht.

Vergelijking van het voor betrokkene geldende maatmaninkomen met het loon dat hij nog kan verdienen met de voor hem passend te achten werkzaamheden, resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 16,5%, zodat appellant bij besluit 2 de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 30 augustus 2000 terecht heeft vastgesteld op 15 tot 25%.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 7 september 2005 ongegrond;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van Ä 422,- wordt geheven.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x