Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX4373
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Juistheid van de vaststelling van de hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie. Is betrokkene tijdens dan wel na afloop van de dienstbetrekking arbeidsongeschikt geworden?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/929 WAO en 05/5336 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[naam Accountantskantoor], gevestigd te [vestigingsplaats], als rechtsopvolgster van de maatschap [appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 januari 2003, 99/3364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan het geding heeft voorts deelgenomen: [naam werkneemster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de werkneemster.

Datum uitspraak: 16 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werkneemster heeft op 7 juli 2005 in een Antwoordformulier desgevraagd geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen. Zij heeft voorts laten weten als partij aan het geding te willen deelnemen. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven over de zaak.

Het Uwv heeft op 19 juli 2005 een nieuw besluit op het bezwaar van appellante genomen.

De Raad heeft toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waardoor kennisname van de medische stukken is voorbehouden aan mr. Van Zijl voornoemd en aan diens medisch adviseur drs. J.M.W.N. Derks.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2006. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [naam directeur] bijgestaan door mr. Van Zijl en drs. Derks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans. De werkneemster is niet verschenen.

Het onderzoek ter zitting heeft, voor zover daarbij medische gegevens zijn besproken, met gesloten deuren plaatsgevonden. Op verzoek van mr. Van Zijl heeft de Raad bijzondere toestemming gegeven aan de heer De Wit bij het gehele onderzoek ter zitting aanwezig te zijn. Daarbij is in aanmerking genomen dat de werkneemster in evengenoemd formulier aan de Raad heeft medegedeeld wel toestemming te geven haar medische gegevens ter kennisname te brengen aan de heer De Wit persoonlijk.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 21 november 1998 heeft het Uwv de door appellante voor het jaar 1999 verschuldigde gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bepaald op 2,43%.
De tegen dit besluit gerichte bezwaren zijn bij besluit van 22 maart 1999 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

Bij de vaststelling van de hoogte van gedifferentieerde WAO-premie heeft het Uwv mede betrokken de over de periode van 16 juni 1997 tot en met 31 december 1997 aan de werkneemster betaalde WAO-uitkering. Aan de werkneemster is namelijk per 16 juni 1997 een volledige WAO-uitkering toegekend.

De rechtbank heeft het beroep van appellante, met een bepaling omtrent vergoeding van griffierecht, gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen. Zij heeft, verwijzend naar supranationale wetgeving en toekomstige nationale wetgeving, overwogen dat het Uwv bij de berekening van de wachttijd van 52 weken op grond van artikel 19 (oud) van de WAO ten onrechte het tijdvak van 17 juni 1996 tot 7 oktober 1996 heeft betrokken. In dit tijdvak ontving de werkneemster ziekengeld in verband met zwangerschap en bevalling op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank heeft voorts nog als haar oordeel gegeven dat de wachttijd ingevolge de WAO op 7 oktober 1996 is aangevangen en op 6 oktober 1997 is voltooid, zodat de werkneemster niet eerder dan per 6 oktober 1997 recht had op een WAO-uitkering. Voorts was de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv op onvoldoende gemotiveerde of inhoudelijk onjuiste gronden aan de werkneemster een volledige WAO-uitkering heeft toegekend.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv op 19 juli 2005 een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante genomen. Uitgaande van de over de periode van 6 oktober 1997 tot en met 31 december 1997 aan de werkneemster betaalde WAO-uitkering is de gedifferentieerde premie voor het jaar 1999 vastgesteld op 1,31%.

Namens appellante is medegedeeld dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het beroep. Daarom wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 juli 2005 (bestreden besluit 2).

Wat betreft de procedurele kant van de zaak is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank geen (kenbare) afweging heeft gemaakt met betrekking tot de vraag of de medische stukken geheel of gedeeltelijk zonder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, aan appellante ter inzage dienden te worden gegeven. De rechtbank heeft bij de werkneemster niet eens geďnformeerd naar haar redenen om geheimhouding van haar medische gegevens ten opzichte van appellante te wensen.
Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat met de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb op medische stukken niet wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154 (hierna: EVRM), omdat appellante er zelf geen kennis van heeft kunnen nemen.
Ten slotte is appellante van mening dat geen sprake is van een eerlijk proces omdat appellante, anders dan het Uwv, de werkneemster niet door een arts van haar keuze kan laten onderzoeken en zij geen controlemogelijkheden heeft met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling door het Uwv.

Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad het volgende.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 november 2005, LJN AU7243, dient bij de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, de ernst van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer te worden afgewogen tegen het procesbelang van de werkgever. Gelet op de aard en de inhoud van de in geding zijnde stukken - medisch - alsmede op het feit dat de werkneemster een beroep heeft gedaan op privacybelang is de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, naar het oordeel van de Raad gerechtvaardigd en hoeft de afweging niet per afzonderlijk document gemotiveerd te worden aangegeven.

De Raad wijst voorts op zijn uitspraak van 20 juli 2001, LJN AB2857, waarin hij heeft onderkend dat de werkgever bij toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen. Dit verschil in behandeling brengt de werkgever echter niet in een wezenlijk nadeliger positie ten opzichte van andere partijen als bedoeld in de in die uitspraak genoemde rechtspraak van het Hof van Justititie van de EG. Dat geldt ook met betrekking tot de onmogelijkheid voor de werkgever de werknemer door een arts van zijn keuze te laten onderzoeken en de controlemogelijkheden op de arbeidskundige aspecten van de zaak. Wat dit laatste betreft is de positie van de werkgever overigens geen andere dan die van de werknemer.

Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak stelt de Raad vast dat het geding zich toespitst op de vraag of de werkneemster tijdens dan wel na afloop van de dienst-betrekking met appellante arbeidsongeschikt is geworden. De werkneemster heeft van 17 juni 1996 tot en met 6 oktober 1996 zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten. Op 7 oktober 1996 heeft zij haar werkzaamheden voor 50% hervat en op 13 februari 1997 voor 100%. Met ingang van 1 juli 1997 heeft de werkneemster op eigen verzoek ontslag genomen. Op 8 juli 1997 heeft zij zich per 1 juli 1997 ziek gemeld bij de afdeling WW van het Uwv. Aan zowel het bestreden besluit 1 als het bestreden besluit 2 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de werkneemster nog tijdens haar dienstbetrekking met appellante arbeidsongeschikt is geworden. Ook de rechtbank is van oordeel dat de arbeidsongeschiktheid is ontstaan tijdens de dienstbetrekking en wel op 7 oktober 1996 en dat deze onafgebroken 52 weken heeft geduurd.

Appellante stelt zich, uitgebreid gemotiveerd, op het standpunt dat aan de op 7 oktober 1996 aangevangen wachttijd een einde is gekomen op 13 februari 1997. Uit de stukken blijkt volgens haar niet dat de werkneemster na die datum nog arbeidsongeschikt was. De werkneemster heeft haar werk volledig hervat. Zij heeft op eigen verzoek ontslag genomen per 1 juli 1997. De laatste dag van haar dienstbetrekking was dus 30 juni 1997. Als er sprake is van arbeidsongeschiktheid die 52 weken heeft geduurd dan is die ontstaan na het einde van de dienstbetrekking aldus appellante.

Ook voor de Raad is onvoldoende komen vast te staan dat sprake is van tijdens de dienstbetrekking ingetreden arbeidsongeschiktheid die daarna 52 weken onafgebroken heeft voortgeduurd. Nog daargelaten de administratieve onduidelijkheid en de verwarringwekkende berichtgeving aan appellante en de werkneemster in het kader van de Ziektewet in de periode van 13 februari 1997 tot medio juli 1997 is de Raad met appellante van oordeel dat in verband met de WAO-beoordeling onvoldoende onderzoek is verricht naar de gezondheidstoestand van de werkneemster in die periode.

Immers, enerzijds blijkt uit de medische kaart dat de werkneemster per 13 februari 1997 nog 50% arbeidsongeschikt werd geacht, zij het niet meer ten gevolge van zwangerschap of bevalling, maar op grond van surmenageklachten, anderzijds heeft de werkneemster per die datum haar werk voor 100% hervat en dit de hele periode tot 1 juli 1997 volgehouden, met uitzondering van enkele ziektedagen. De omstandigheid dat zij in die periode veel snipperdagen heeft opgenomen kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat het in feite ziekteverzuim betrof. In dezelfde periode hebben bij voorbeeld ook twee “echte” ziekmeldingen plaats gevonden. De verzekeringsarts is niet nagegaan of de werkneemster een verminderde arbeidsprestatie heeft geleverd.

Nu na medio februari 1997 geen controle van de werkneemster meer heeft plaatsgevonden, had het op de weg van de verzekeringsarts gelegen navraag te doen bij de behandelaars; zo had deze bij de huisarts kunnen informeren naar de reden van de verwijzing naar het RIAGG en bij het RIAGG naar de bevindingen van het intakegesprek daarop volgende rechterlijke procedures 25 februari 1997. Ook in het kader van de bezwarenprocedure en de had deze informatie nog ingewonnen kunnen worden.
De door de verzekeringsarts F.M.S. Ferman in zijn rapport van 21 juli 1997 aangegeven beperking tot een maximum van twee uren per dag is naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwd tegen de achtergrond van de gerapporteerde medische bevindingen en de dagelijkse aktiviteiten van de werkneemster.

De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 27 december 2005 wijzigt het oordeel van de Raad niet. De omstandigheid dat de behandelend psychiater op 28 mei 1998 concludeerde dat er sprake was een depressie en dat de verzekeringsarts T.C.M. de Witte op 12 mei 1998 in het kader van de eerstejaars herbeoordeling tot de conclusie is gekomen dat de werkneemster op dat moment geen benutbare mogelijkheden meer had, sluit niet uit dat de psychische problematiek van de werkneemster rond februari 1997 aanzienlijk minder ernstig was en dat zij in die periode nog volledig tot haar eigen arbeid in staat was.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende vast is komen te staan dat de werkneemster op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid tot appellante in dienstbetrekking stond als bedoeld in artikel 4, tweede lid, in verbinding met het vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie van de WAO (oud). Nu zowel het bestreden besluit 1 als het bestreden besluit 2 hiervan uitgaan kunnen beide besluiten niet in stand blijven. Dit geldt ook voor de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen in hoger beroep. Het Uwv zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van appellante.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin is beslist over de vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit 1;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2 gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit 2;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstuut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 327,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x