Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX4376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Het medisch en arbeidskundig onderzoek geven een adequate en toereikende grondslag voor de schatting.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5223 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 september 2003, 2002/1909 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.J.M. van den Broek, werkzaam bij De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2005. Namens appellant is mr. Van den Broek verschenen, vergezeld van de arts J.H. Husken als medegemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

Vervolgens heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 5 april 2006. Namens appellant zijn mr. Van den Broek en de arts Husken verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H.H.I. Krijnen.




II. OVERWEGINGEN


Aan appellant is met ingang van 4 april 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% in verband met arbeidsongeschiktheid voor zijn werk als administratief en commercieel medewerker als gevolg van surmenage naast diverse lichamelijke klachten. Op 2 januari 1989 heeft hij een functie als hoofd expeditie en magazijn bij een handel in bouwstoffen aanvaard. Per diezelfde datum is de WAO-uitkering ingetrokken. In juni 1992 is hij uitgevallen wegens surmenageklachten. In oktober 1992 heeft hij zijn werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis gedeeltelijk hervat. Met ingang van 1 mei 1993 werd de aangepaste functie - medewerker expeditie - passend geacht. Met ingang van 22 juni 1993 werd appellant, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, een WAO-uitkering naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid toegekend.

Op 2 mei 2001 is appellant uitgevallen met een vestibulaire functiestoornis. Nadien zijn een astmatische aandoening en een slaapapneusyndroom geconstateerd, terwijl appellant ook last had van paniekaanvallen. De verzekeringsarts heeft bij onderzoek van appellant op 4 februari 2002 vastgesteld dat hij op grond van CARA en surmenage aangewezen is op werk met minder stress waarbij tevens met de longbeperkingen rekening wordt gehouden. De beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 februari 2002. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige voor appellant functies geselecteerd waarmee hij een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van 52.77 %. Kennisneming van een brief van de huisarts van appellant van 3 mei 2002 heeft de verzekeringsarts niet tot een andere conclusie over de beperkingen van appellant gebracht.

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 30 mei 2001 vastgesteld op 80 tot 100. Met ingang van 27 juni 2002 is de uitkering weer berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen de verlaging van de WAO-uitkering per 27 juni 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts inlichtingen opgevraagd bij de behandelend longarts van appellant, dr. G. Wesseling. Uit diens brief van 18 oktober 2002 blijkt dat bij appellant sprake is van een matig obstructief longlijden, waarbij voorts een obstructief slaapapneusyndroom is vastgesteld, terwijl er ook aanwijzingen zijn voor longemfyseem. Appellant is ingesteld op niet-invasieve ademhalingsondersteuning met behulp van CPAP-apparatuur alsmede op medicatie. De bezwaar- verzekeringsarts is, mede op basis van deze inlichtingen, van mening dat in de FML op adequate wijze rekening is gehouden met de specifieke beperkingen van appellant. Daarop is bij besluit op bezwaar van 18 november 2002 het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank achtte het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig, nu de verzekeringsarts kennis heeft genomen van informatie van de huisarts van appellant en de bezwaarverzekeringsarts de nadien verkregen schriftelijke informatie van de behandelend longarts in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de functionele mogelijkheden van appellant op onjuiste wijze zouden zijn vastgesteld dan wel dat ten aanzien van appellant niet alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking zouden zijn genomen. Met betrekking tot de door appellant in beroep ingebrachte rapporten van de sportarts dr. F. Hartgens van 17 maart 2003, de klinisch psycholoog drs. F.H.J. Kunkels van 2 april 2003 en de arts Husken verenigt de rechtbank zich met het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts daarop in het rapport van 12 juni 2003, waarin deze concludeert dat in die rapporten geen concrete nieuwe gezichtspunten naar voren komen ten aanzien van de theoretische belastbaarheid.

In hoger beroep heeft appellant een nader rapport van de arts Husken van 30 oktober 2003 met bijlagen, waaronder een commentaar van drs. Kunkels voornoemd, overgelegd. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank geheel voorbij is gegaan aan de door appellant overgelegde medische rapportages. In een rapport van 13 februari 2004 geeft de bezwaarverzekeringsarts een reactie op de nader overgelegde rapporten en motiveert waarom deze volgens hem geen ander licht werpen op de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit nader getoetst. In het rapport van 18 februari 2005 stelt zij vast dat de primaire arbeidsdeskundige bij het selecteren van de functies rekening heeft gehouden met de kenmerkende functionele beperkingen van appellant. In die functies is geen sprake van een overschrijding van de functionele mogelijkheden van appellant. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de belasting in de functies nogmaals getoetst aan de FML van 4 februari 2002. De conclusie luidt dat de geselecteerde functies op alle aspecten passend geacht moeten worden.

De Raad heeft de deskundige A. Lukker, longarts te Venlo, benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft bij rapport van 28 november 2005 verslag gedaan van zijn onderzoek. Op de vraag naar als ziekten of gebreken aan te merken afwijkingen in de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding 27 juni 2002 heeft de deskundige geantwoord dat het obstructief slaapapneusyndroom toen ongetwijfeld een rol speelde, alhoewel appellant daarop sinds 2001 stabiel was ingesteld, en dat appellant een chronisch obstructief longlijden (COPD) had met een relatief forse diffusiebeperking die hem toen zeker parten speelde. De deskundige kon de rapportage van de verzekeringsarts van 4 februari 2002 voor een belangrijk deel onderschrijven, behoudens op de psychische aspecten, daar hij op dat gebied niet deskundig is. De deskundige achtte voorts de FML moeilijk in te schatten daar appellant geen maximale inspanningstest had gedaan zodat de fysieke belastbaarheid moeilijk was aan te geven. Getuige die test zou appellant in staat moeten zijn tot zittende arbeid waarbij hij in staat moet zijn licht montagewerk of administratief werk te verrichten. Voorts kon de deskundige de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts voor een belangrijk deel onderschrijven. De deskundige achtte zich niet in staat het rapport van de klinisch psycholoog te beoordelen. Met betrekking tot het door appellant in beroep overgelegde rapport van de arts Husken en de apart toegezonden stukken van deze arts overweegt de deskundige dat gelet op de submaximale ergometrie hooguit gesproken kan worden over een minimale belastbaarheid, maar niet over een maximale belastbaarheid.

In een brief van 12 december 2005 trekt de arts Husken uit het rapport van de deskundige Lukker de conclusie dat er geen sprake is van enig belastbaarheid van appellant met arbeid.

De bezwaarverzekeringsarts stelt in zijn rapport van 4 januari 2006 dat de conclusie van de deskundige Lukker geheel aansluit op die van de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad concludeert uit het rapport van de deskundige Lukker dat deze zich kan verenigen met de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen, voorzover gelegen op zijn vakgebied. Met de lichamelijke beperkingen van appellant is dan ook in voldoende mate rekening gehouden. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat ook aan de psychische beperkingen van appellant voldoende recht is gedaan. De Raad overweegt voorts dat de deskundige appellant op de datum in geding met inachtneming van zijn beperkingen als gevolg van het longlijden en het slaapapneusyndroom in staat acht tot zittende arbeid waarbij hij licht montagewerk of administratief werk moet kunnen verrichten. Onder de functies die de arbeidsdeskundige voor appellant heeft geselecteerd, zoals vermeld in het arbeidskundig rapport van 26 april 2002 en nader beschreven in de arbeidsmogelijkhedenlijst en het resultaat eindselectie van diezelfde datum, bevinden zich naar het oordeel van de Raad in elk geval voldoende functies die beantwoorden aan die kwalificatie en die ook overigens in overeenstemming zijn met de belastbaarheid en de bekwaamheden van appellant. De Raad concludeert dat hiermee vast is komen te staan dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x