Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX5376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het niet tijdig betalen van het griffierecht vanwege een administratieve fout van de gemachtigde blijft voor rekening van betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5067 WAO




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juli 2005, 04/2689 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 8 november 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 8 november 2005 heeft appellant verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. M.J. Oudenhuysen, advocaat te Utrecht, en waar het Uwv - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 8 november 2005 berust hierop, dat het verschuldigde griffierechtbedrag ad 103,- niet binnen de in de brief van 13 september 2005 gestelde termijn, te weten uiterlijk op 11 oktober 2005, aan de Raad is voldaan. Eerst na de ontvangst van voornoemde uitspraak van de Raad heeft het advocatenkantoor van de gemachtigde alsnog het griffierecht ad 103,- middels telefonische overboeking op 9 november 2005 aan de Raad voldaan. Het griffierecht is op 11 november 2005 op de rekening van de Raad bijgeschreven.

In het verzetschrift en ter zitting is door de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de griffierechtnota d.d. 23 augustus 2005 tijdig in de administratie van haar kantoor is ingeboekt. De aanmaningsbrief d.d. 13 september 2005 is na ontvangst door haar kantoor abusievelijk niet in behandeling genomen c.q. verwerkt, maar is opgeborgen in het dossier met betalingsherinneringen. Wegens ziekte en vakantie is ter zake de afhandeling van de griffierechtnota niet de gebruikelijke procedure gevolgd en dientengevolge is een administratieve fout gemaakt waardoor het griffierecht niet tijdig is betaald.
De gemachtigde is van mening dat appellant niet de dupe mag worden van deze administratieve tekortkoming aan de zijde van haar advocatenkantoor.
Appellant geeft ter zitting nog aan dat hij het verschuldigde griffierecht tijdig aan het advocatenkantoor heeft voldaan en dat het hem niet verweten kan worden dat het advocatenkantoor het griffierecht niet tijdig aan de Raad heeft voldaan.

De Raad is van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is geschied en verwijst daartoe in de eerste plaats naar de inhoud van de brieven van 23 augustus 2005 en 13 september 2005. In hetgeen door de gemachtigde van appellant is aangevoerd, is naar het oordeel van de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant terzake van het verzuim redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. De Raad overweegt daartoe dat volgens zijn vaste rechtspraak de gevolgen van processuele handelingen, waaronder tevens te verstaan een nalaten, van een gemachtigde in het algemeen voor rekening dienen te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. De Raad heeft geen aanknopingspunten om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x