Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX6076
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Besluit samenloop WAO en WAZ. De keuze om de WAZ de voorkeur te geven, is onvoldoende gemotiveerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1308 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 26 januari 2004, 02/386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever),

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de werkgever heeft [naam werknemer], werkzaam bij de werkgever, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Namens appellant is verschenen mr. M.W.G. Bombeeck. Namens de werkgever is verschenen [naam werknemer].




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 12 april 2001 heeft appellant aan A.M.W. van de Looij-van den Broek, voormalig werkneemster bij de werkgever (hierna: werkneemster) met ingang van 16 april 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Voorts heeft appellant bij besluit van 29 augustus 2001 aan werkneemster medegedeeld dat haar WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

Werkneemster is op 12 september 2001 overleden.

Namens de werkgever heeft [naam werknemer] voornoemd bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde besluiten van 12 april 2001 en 29 augustus 2001. Appellant heeft die bezwaren bij besluit van 5 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van de werkgever tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Aan appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts is appellant daarbij veroordeeld tot het vergoeden van het door de werkgever betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten.

De Raad gaat uit van de volgende, aan de aangevallen uitspraak en het dossier ontleende, feiten en omstandigheden.

Werkneemster was sedert 1991 gemiddeld 15 uur per week werkzaam als zelfstandig belastingadviseur. Per 1 september 1999 is zij bij de werkgever in dienst getreden, aanvankelijk gedurende 24 uur per week, hetgeen later is uitgebreid naar 32 uur per week. Zij heeft zich op 17 april 2000 ziek gemeld en heeft op 24 november 2000 een aanvraag voor een WAO-uitkering bij appellant ingediend.

Op 16 januari 2001 is werkneemster onderzocht door de verzekeringsarts, die de voor haar geldende belastbaarheid heeft vastgesteld. Hierbij heeft de verzekeringsarts onder andere beperkingen aangegeven ten aanzien van staan en lopen, klimmen, buigen en torderen en het werken onder tijdsdruk. Voorts is in verband met vermoeidheid voortvloeiend uit de ernstige ziekte van werkneemster een urenbeperking van 20 uur per week aangegeven. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige een onderzoek verricht, waarover op 12 april 2001 is gerapporteerd. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat werkneemster ongeschikt is voor haar functie bij de werkgever. Wel zou zij, met inachtneming van haar beperkingen, geschikt zijn voor werkzaamheden verbonden aan een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Inmiddels had werkneemster vanaf begin 2001 haar werkzaamheden als zelfstandig belastingadviseur weer hervat. Voor die werkzaamheden werd zij niet ongeschikt geacht, met name omdat het aspect tijdsdruk daarin minder voorkwam. Werkneemster had overigens, in de wetenschap dat zij daarvoor toch niet in aanmerking zou komen, ook geen aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat er - vanwege de urenbeperking van 20 uur per week en het feit dat werkneemster gedurende 15 uur per week als zelfstandige werkte en hiermee ook wilde doorgaan - maar 5 uur zou resteren voor het werken in loondienst. Hierdoor zou mede in verband met de in aanmerking te nemen reductiefactor van 0,16 een verlies aan verdiencapaciteit voor de WAO ontstaan van 80 tot 100%. Nadien heeft appellant aangegeven dat de keuze om de resterende verdiencapaciteit in eerste instantie toe te rekenen aan de zelfstandige arbeid is gebaseerd op beleid van appellant dat is neergelegd in het Besluit samenloop WAO en WAZ van 25 november 1998, Stcrt. 1998, 237. Blijkens artikel 1 van dat besluit hanteert appellant bij samenloop van aanspraken op grond van de WAO en de WAZ met betrekking tot het toerekenen van de resterende verdiencapaciteit in het kader van de schatting het beleid dat in de bijlage bij dat besluit is weergegeven. In die bijlage is onder het kopje “Gelijktijdige samenloop” de volgende tekst opgenomen:

"Uitgangspunt bij gelijktijdige samenloop is dat -ter wille van een consistente toepassing- de resterende verdiencapaciteit primair aan het WAO-recht wordt toegerekend. Een eventueel restant aan resterende verdiencapaciteit wordt toegerekend aan het WAZ-recht. Werkt de cliënt echter nog als zelfstandige of heeft hij het werk als zelfstandige hervat, dan wordt -conform de toelichting bij het Schattingsbesluit- de verdiencapaciteit daaruit primair toegerekend aan het WAZ-recht."

De werkgever heeft zich tegen de toepassing van dat beleid verzet. Indien appellant ervoor had gekozen om werkneemster te laten reďntegreren in loondienst, dan wel de resterende verdiencapaciteit ten volle toe te rekenen aan het WAO-recht, zou zij voor een veel lagere WAO-uitkering in aanmerking zijn gekomen en zou de door de werkgever te betalen gedifferentieerde WAO-premie ook lager uitvallen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant ten onrechte, dan wel op een onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan het beleid op basis van het Besluit samenloop WAO en WAZ. Hiertoe is in de aangevallen uitspraak waarin appellant is aangeduid als verweerder en de werkgever als eiseres het volgende overwogen:

"Naar aanleiding van de grief inzake het Besluit samenloop WAO en WAZ merkt de rechtbank op dat in artikel 1 van dat Besluit is bepaald dat het Lisv (lees UWV) bij samenloop van aanspraken op grond van de WAO en de WAZ met betrekking tot het toerekenen van de resterende verdiencapaciteit in het kader van de schatting het in de bijlage bij dit besluit weergegeven beleid hanteert.

In die bijlage is aangegeven dat sprake is van gelijktijdige samenloop WAO-WAZ als iemand die op grond van zijn werkzaamheden (in dienstbetrekking) verzekerd is voor de WAO en daarnaast op grond van andere werkzaamheden (als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkend echtgenoot) gelijktijdig verzekerd is voor de WAZ, arbeidsongeschikt wordt waarna recht op WAO en/of WAZ-uitkering ontstaat.

Uit deze definitie van het begrip gelijktijdige samenloop valt af te leiden dat er ook sprake kan zijn van gelijktijdige samenloop als er wél recht op WAO-uitkering ontstaat maar geen recht op WAZ-uitkering.

Uit het hiervoor geciteerde artikel 1 leidt de rechtbank (met de gemachtigde van eiseres) echter af dat het beleid uit de bijlage alleen wordt gehanteerd als er sprake is van samenloop van aanspraken op grond van de beide wetten (onderstreping van de rechtbank).

In het onderhavige geval is daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat het peilmoment voor de vraag of er sprake is van samenloop van aanspraken de datum einde wachttijd is. Op die datum was er, zo blijkt uit de gedingstukken, geen sprake van samenloop van aanspraken op grond van beide wetten, omdat werkneemster niet ongeschikt werd geacht voor haar werk als zelfstandige.

Maar ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat verweerders beleid wél toepassing kan vinden, is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop verweerder aan dat beleid toepassing heeft gegeven niet overeenstemt met de feiten, zoals deze uit het dossier blijken.

In het arbeidskundig rapport van 12 april 2001 staat immers vermeld dat werkneemster de werkzaamheden als zelfstandige, die zij sinds 1991 gedurende 15 uur per week verrichtte, heeft verminderd toen ze bij eiseres in dienst trad, welk dienstverband aanvankelijk voor 24 uur per week werd aangegaan doch vervolgens voor 32 uur per week. Het komt de rechtbank dan ook niet waarschijnlijk voor dat de maatman van werkneemster laatstelijk vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid degene was die naast een 32-urige werkweek in loondienst nog gedurende 15 uur per week als zelfstandige werkzaam was. Evenmin komt het de rechtbank waarschijnlijk voor dat werkneemster, die pas begin 2001 weer is begonnen met haar werkzaamheden als zelfstandige, deze werkzaamheden per einde wachttijd (6 april 2001) weer voor de volle 15 uur per week verrichtte. Dat blijkt ook geenszins uit de voorhanden rapportage. Tijdens haar ziekte heeft werkneemster helemaal niet als zelfstandige gewerkt, en op 8 mei 2001 is zij opnieuw ziek geworden."

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat het op een onjuiste grondslag berust.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de feiten juist zijn weergegeven en dat aan het beleid de juiste toepassing is gegeven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op basis van nadere afstemming met de primaire arbeidsdeskundige en de becijfering van de gewerkte uren van werkneemster tot en met medio 2001 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om het aantal gewerkte uren als zelfstandige in de maatmansituatie anders in te schatten dan 15 uur per week. Dit geldt evenzeer voor de situatie per einde wachttijd, waarbij het volgens de bezwaararbeidsdeskundige zeer wel mogelijk en reëel te achten is dat werkneemster weer in 15 uur per week had hervat.

Ten aanzien van het Besluit samenloop WAO en WAZ heeft appellant het volgende aangegeven:

"Uit de inhoud van het in de bijlage bij het besluit weergegeven beleid blijkt dat het besluit ook ziet op gevallen, waarin uitsluitend arbeidsongeschiktheid ontstaat voor de WAO- dan wel uitsluitend arbeidsongeschiktheid ontstaat voor de WAZ-verzekerde arbeid.
Het in de bijlage bij het besluit beschreven beleid heeft zowel betrekking op ‘gelijktijdige samenloop’ als op ‘volgtijdelijke samenloop’. Van gelijktijdige samenloop is volgens de 1e alinea van de bijlage sprake ‘als iemand op grond van zijn werkzaamheden ... verzekerd is voor de WAO en daarnaast op grond van andere werkzaamheden ... gelijktijdig verzekerd is voor de WAZ, arbeidsongeschikt wordt waarna recht op WAO- en/of WAZ-uitkering ontstaat.

Hieruit blijkt dat met name is beoogd regels te stellen voor situaties waarin naast elkaar WAO- en WAZ-verzekerde arbeid wordt verricht en vervolgens arbeidsongeschiktheid ontstaat. In de geciteerde tekst valt geen beperking te lezen tot die situaties waarin voor beide werkzaamheden ongeschiktheid ontstaat. Ook de passage ‘waarna recht op WAO- en/of WAZ-uitkering ontstaat, duidt er op dat het besluit zowel ziet op situaties van uitsluitend uitval voor de WAO- of uitsluitend de WAZ-verzekerde arbeid als op de situatie waarin voor beide werkzaamheden arbeidsongeschiktheid optreedt.
Onder het kopje ‘Gelijktijdige samenloop’ wordt voorts ingegaan op de situatie waarin de cliënt nog als zelfstandige werkt. Ook daaruit kan naar het oordeel van UWV worden opgemaakt dat het besluit tevens betrekking heeft op gevallen waarin alleen arbeidsongeschiktheid optreedt voor de WAO-verzekerde arbeid.

Voorzover het besluit door uw Raad niet van toepassing wordt geacht wegens het ontbreken van een WAZ-aanvraag, dan ligt analoge toepassing van het besluit naar het oordeel van ondergetekende voor de hand. Met een beoordelingswijze die afhankelijk is van het al dan niet aanvragen van een WAZ-uitkering, zou het resultaat van de beoordeling immers afhankelijk gesteld worden van handelingen van betrokkene (al dan niet verricht met het doel de beoordeling te beďnvloeden), die op zich niets van doen hebben met de mate van arbeidsongeschiktheid.

Wordt het besluit alleen van toepassing geacht als er per einde wachttijd aanspraak bestaat op beide uitkeringen (zoals de rechtbank stelt) dan wordt voorbijgegaan aan het feit dat einde wachttijd - WAO en einde wachttijd - WAZ, ook bij ongeschiktheid voor beide werkzaamheden, niet altijd samenvalt. Voorts leidt een dergelijk standpunt tot een cirkelredenering, nu de beoordeling juist strekt tot vaststelling van aanspraken."

De Raad overweegt het volgende.

De Raad is van oordeel dat appellant voldoende heeft toegelicht waarom moet worden uitgegaan van het door hem genoemde aantal uren waarin werkneemster als zelfstandige werkzaam is geweest. De Raad deelt derhalve niet de twijfel die de rechtbank daarover had. Het door de rechtbank genoemde feit dat werkneemster op 8 mei 2001 opnieuw ziek is geworden leidt in elk geval niet tot de conclusie dat zij voorafgaand aan die datum niet gedurende 15 uur per week haar werkzaamheden als zelfstandige kan hebben hervat. Uit het dossier blijkt namelijk dat de toename van de klachten onverwachts plaats vond, daags voordat zij een sollicitatiegesprek zou hebben bij een mogelijk nieuwe werkgever.

Ten aanzien van de keuze die appellant heeft gemaakt om, met toepassing van het Besluit samenloop WAO en WAZ, aan de WAZ voorrang te geven is de Raad van oordeel dat die keuze onvoldoende is gemotiveerd. De verwijzing naar het beleid dat is neergelegd in het genoemde besluit acht de Raad niet voldoende, omdat dit beleid onvoldoende is toegelicht. Zo is in het besluit niet uitgewerkt of het beleid van toepassing is bij de samenloop van aanspraken op uitkering of bij de samenloop van rechten op uitkering. Ook is bij de vaststelling van het besluit op 25 november 1998 kennelijk geen rekening gehouden met de gevolgen van het beleid voor derden-belanghebbenden. Omdat sinds de inwerkingtreding van de Wet op de premiedifferentiatie per 1 januari 1998 de werkgever als derde-belanghebbende wordt aangemerkt bij WAO-besluiten, zou daar voldoende reden voor zijn geweest. Ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mogen immers de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Voorts merkt de Raad op dat de gemachtigde van de werkgever er in hoger beroep op heeft gewezen dat appellant is uitgegaan van theoretische in plaats van feitelijke verdiensten door de berekening van de resterende verdiencapaciteit te baseren op het aantal uren dat werkneemster nog zou kunnen werken. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant hiermee een onjuiste berekeningsmethode toegepast. Blijkens de tekst van de bijlage bij het Besluit samenloop WAO en WAZ moet de verdiencapaciteit uit het werk als zelfstandige primair worden toegerekend aan het WAZ-recht. Het begrip ‘verdiencapaciteit’ heeft betrekking op hetgeen werkneemster nog kan verdienen, niet op het aantal uren dat hij of zij nog kan werken.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en aan appellant heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen, met aanvulling van gronden dient te worden bevestigd, met dien verstande dat appellant bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar hetgeen in deze uitspraak is overwogen in acht dient te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 414,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x