Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX6284
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Overschrijding van de beslistermijn. Schadevergoeding. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1373 WAO (Rectificatie)




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 3 februari 2004, 03/409 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.A. Faas, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellante is (met bericht) niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Aarts.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, laatstelijk werkzaam als caissière voor drie dagen per week, is op 20 september 1989 uitgevallen met rugklachten. In verband hiermee zijn haar met ingang van 24 oktober 1990 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een medisch heronderzoek zijn door verzekeringsgeneeskundige R. van der Vlies beperkingen vastgesteld, welke zijn neergelegd in een belastbaarheidspatroon van 7 december 1990. Hiervan uitgaande heeft arbeidsdeskundige A.C. Janse in zijn rapport van 18 februari 1991 op basis van de Arbeidscomplexen Documentatie (ACD) een vijftal functies geselecteerd en met appellante besproken, te weten de functies van inpakster, thuiswerkster confectie, thuiswerkster, magazijnbediende/chauffeur en chauffeur groepsvervoer. Het verlies aan verdiencapaciteit werd op basis daarvan berekend op 33,1%. In verband met inkomsten van appellante uit arbeid heeft genoemde arbeidsdeskundige op basis van een (praktische) schatting per genoemde datum de mate van arbeidsongeschiktheid nader berekend op 15 tot 25%. In aansluiting hierop zijn voormelde uitkeringen met ingang van 1 juni 1991 respectievelijk ingetrokken (AAW) en herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% (WAO).

Op 11 maart 1993 meldde appellante zich opnieuw ziek wegens rugklachten. In zijn rapport van 7 december 1993 constateerde arbeidsdeskundige F. Janssens vervolgens dat destijds bij de (theoretische) schatting ten onrechte is uitgegaan van maandlonen in plaats van uurlonen en concludeerde hij dat de mate van arbeidsongeschiktheid alsnog op minder dan 15% diende te worden vastgesteld. Dienovereenkomstig is de uitkering van appellante ingevolge de WAO bij besluit van 13 april 1994 met ingang van 15 april 1994 ingetrokken.

In het kader van de beroepsprocedure is door appellante op een verslechtering van haar gezondheidstoestand gewezen. De verzekeringsarts L. Verdonk heeft voormeld belastbaarheidspatroon ‘vertaald’ naar een belastbaarheidspatroon van 10 augustus 1994. Voorts heeft arbeidsdeskundige L.G. van Brink in zijn brief van 18 augustus 1994 op basis van het Functie Informatie Systeem (FIS) een vijftal functies geselecteerd, te weten de functies van modinette bedrijfskleding (fb-code 7952), handpakker (fb-code 9717), medewerker uitprijsafdeling (fb-code 9718), chauffeur klein groepsvervoer (fb-code 9858) en inpakker (fb-code 7958), welke functies zijn vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 augustus 1994. Bij uitspraak van 6 juni 1995 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 april 1994 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens het ontbreken van een voorafgaand medisch onderzoek. Daarbij is overwogen dat de arbeidskundige kant van de schatting op basis van uurlonen op zichzelf niet onjuist kan worden geacht. Tegen deze uitspraak is van de zijde van het Uwv, noch van de zijde van appellante hoger beroep ingesteld.

Appellante is op 29 april 1997 onderzocht door verzekeringsarts Verdonk. Deze verzekeringsarts constateerde in zijn rapport van 2 mei 1997, mede op basis van informatie van neuroloog A.J. Breukelman van 18 december 1989 en orthopedisch chirurg A.M.H. Corbey van 30 mei 1990, een chronische lumbago, maar achtte het belastbaarheidspatroon van 10 augustus 1994 nog onverkort van toepassing. Hiervan uitgaande concludeerden de arbeidsdeskundigen E. van der Klooster en R. Griens in hun rapport van 16 juli 1997 dat arbeidskundig onderzoek niet aan de orde was. Hierbij is verwezen naar voormelde brief van arbeidsdeskundige Van den Brink van 18 augustus 1994. In overeenstemming hiermee is de uitkering ingevolge de WAO bij besluit van 26 november 1999 (wederom) met ingang van 15 april 1994 ingetrokken.

Door appellante is hiertegen bij brief van 16 december 1999 bezwaar gemaakt. In dit kader is door bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans in zijn rapport van 2 januari 2003 geconcludeerd dat de primaire beslissing ten aanzien van de vastgestelde belastbaarheid kan worden gehandhaafd. In aansluiting hierop is het bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van 15 mei 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het Uwv de beslistermijnen zodanig heeft overschreden dat het besluit reeds hierom niet in stand kan blijven, dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en dat het feit dat vanwege het tijdsverloop geen nadere medische gegevens meer voorhanden zijn niet ten nadele van appellante mag strekken. Verder is wegens schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 8.000,--. Van de zijde van het Uwv is een rapport van bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards van
20 maart 2006 en een arbeidsmogelijkhedenlijst met bijbehorende stukken, betrekking hebbende op de datum in geding, toegezonden.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft de medische kant van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende schatting is de Raad van oordeel dat met het alsnog door (bezwaar)verzekeringsartsen Verdonk en Huijsmans verrichte medisch onderzoek, als neergelegd in voormelde rapporten van respectievelijk 2 mei 1997 en 2 januari 2003, het door de rechtbank in haar uitspraak van 6 juni 1995 geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek, zowel in formele als materiële zin, is geheeld. De Raad heeft daartoe overwogen in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanleiding te zien om te oordelen dat de beperkingen van appellante, als neergelegd in het belastbaarheidspatroon van 10 augustus 1994, zijn onderschat. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat dit belastbaarheidspatroon een ‘vertaling’ vormt van het eerdere belastbaarheidspatroon van 7 december 1990. Voorts heeft de Raad hierbij mee laten wegen dat, blijkens evengenoemde rapporten, met voormelde informatie van de behandelend sector uit 1989 en 1990 door de (bezwaar)verzekeringsartsen bij hun oordeel rekening is gehouden. De Raad merkt hierbij op appellante niet te kunnen volgen in haar stelling dat het feit dat door het tijdsverloop niet méér medische gegevens voorhanden waren, niet ten nadele van haar mag strekken. Hierbij wijst de Raad er op dat appellante in hoger beroep niet heeft bestreden dat zij op de datum in geding niet (meer) vanwege haar klachten onder behandeling was van een arts en/of medisch specialist.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad als volgt. De Raad heeft allereerst geconstateerd dat de functies, welke zijn vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 augustus 1994, dezelfde zijn als die vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 april 1994 en dat deze functies soortgelijke functies betreffen als die welke zijn vermeld in het rapport van de arbeidsdeskundige Janse van 18 februari 1991. Voorts zijn de overschrijdingen in de belastingen van de op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 april 1994 (en 11 augustus 1994) vermelde functies door bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards in zijn rapport van 20 maart 2006 nader toegelicht. De Raad acht de toelichting ten aanzien van de functies van modinette bedrijfskleding (fb-code 7952), handpakker (fb-code 9717), medewerker uitprijsafdeling (fb-code 9718) en chauffeur klein groepsvervoer (fb-code 9858) in elk geval toereikend. De Raad kan daarlaten wat er verder zij van de toelichting ten aanzien van de functie van inpakker (fb-code 7958), nu ook indien deze functie zou komen te vervallen voldoende functies resteren om de schatting te kunnen dragen en op basis daarvan geen wijziging in de arbeidsongeschiktheidsklasse optreedt. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de onderhavige schatting op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust.

De grief van appellante dat de onderhavige intrekking in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, slaagt naar het oordeel van de Raad niet. De Raad heeft reeds bij herhaling uitgesproken (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 27 mei 2005, LJN AT 6744, gepubliceerd in RSV 2005/239) dat het het Uwv vrijstaat om bij het nemen van een nieuw besluit als hier aan de orde de datum van intrekking van het oorspronkelijke besluit te handhaven.

Gezien het vorenstaande is de uitkering van appellante ingevolge de WAO terecht met ingang van 15 april 1994 ingetrokken.

Met betrekking tot de lange duur van de besluitvorming van het Uwv overweegt de Raad als volgt.

Allereerst moet worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen het Uwv op het bezwaar van appellante van 16 december 1999 had dienen te beslissen, welke termijn ingevolge artikel 87d van de WAO, in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), 17 weken beliep, ruimschoots is overschreden. Eerst bij beslissing op bezwaar van 15 mei 2003 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De Raad ziet echter geen reden om aan die overschrijding in rechte consequenties te verbinden, nu niet is gebleken dat appellante daardoor op zichzelf nadeel heeft ondervonden.

Wat betreft de toetsing aan artikel 6 van het EVRM stelt de Raad voorop dat de grief van appellante op dit punt zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan in dit geding.

De Raad stelt - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 oktober 2005 (gepubliceerd onder LJN AU4846) - vast dat bij de berekening van de totale duur van de procedure, naast de periode vanaf het bezwaar tegen het nieuwe (primaire) besluit van 26 november 1999 tot het nemen van het bestreden besluit van 15 mei 2003, tevens de daaraan voorafgegane periode vanaf het beroep tegen het eerdere besluit van 13 april 1994 tot het, na vernietiging door de rechtbank van dit besluit, nemen van het nieuwe (primaire) besluit van 26 november 1999 in aanmerking dient te worden genomen. Daarbij wijst de Raad er op dat dit nieuwe (primaire) besluit niet los kan worden gezien van het door de rechtbank vernietigde besluit van 13 april 1994, dat handelde over dezelfde datum als thans in geding, te weten 15 april 1994. De Raad stelt voorts vast dat hij in hoger beroep op 3 mei 2006 uitspraak doet. Daarmee is gegeven dat de onderhavige procedure, gerekend vanaf het beroep tegen het besluit van 13 april 1994, 12 jaar heeft geduurd. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2004 (LJN AR7273, gepubliceerd in USZ 2005/56) van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn ruimschoots is overschreden. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante, een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van deze procedure.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv, door de onaanvaardbaar lange termijn die hij heeft genomen om een besluit te nemen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank en vervolgens de besluitvorming over appellantes bezwaren tegen dat besluit af te ronden, tevens appellante ervan heeft afgehouden om het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. Ook daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante een rechtvaardiging is aangetroffen voor de procedurele handelwijze van het Uwv.

De Raad acht het aannemelijk dat appellante als gevolg van de lange duur van de procedure een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht, in aanmerking nemend het aandeel van het bestuursorgaan, om die reden termen aanwezig om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade. De Raad stelt de door het Uwv te betalen schadevergoeding vast op een bedrag van € 7.500,--.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het inleidend beroep en onder vernietiging van het bestreden besluit. De Raad zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep. De te vergoeden proceskosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 7.500,--;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van (€ 31,-- + € 102,-- =) € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, in het openbaar uitgesproken
op 3 mei 2006.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x